Pleidooi voor de vent in de literatuur

'Echt Onecht'. Maatstaf 4, jaargang 45. Uitg. De Arbeiderspers. Prijs ƒ 20,-.

De ondertitel van het zomernummer van Maatstaf staat zo prominent op de cover dat de eigenlijke naam van het tijdschrift bijna helemaal wegvalt. Het duurt een tijdje voordat je doorhebt dat 'Echt Onecht' niet een nieuw literair blad is maar het vertrouwde tijdschrift van de Arbeiderspers, waarvan de redactie eerder dit jaar liet weten alleen nog maar nummers te willen maken die ten minste voor de helft thematisch zijn. Aangekondigd werd onder andere een nummer over geloofwaardigheid ofwel: 'Echt Onecht'.

De belangrijkste artikelen (van respectievelijk Henk Pröpper en Rogi Wieg) spitsen dit thema toe op de literatuur en wel op de vraag waarom pure fictie (onecht) door de Nederlandse literaire kritiek hoger wordt aangeslagen dan memoires of romans met een evident autobiografische inslag (echt). Beide auteurs gaan er bij voorbaat van uit dat dit inderdaad het geval is. In de literatuur lopen 'echt' en 'onecht' niet zelden in elkaar over en talloze autobiografische romans - van Multatuli's Max Havelaar, Du Perrons Het Land van Herkomst, Reve's De avonden, Wolkers Terug naar Oegstgeest tot vrij recente debuten als Moenie Kyk nie van Henk van Woerden en Tralievader van Carl Friedman - zijn door de literaire kritiek hogelijk geprezen.

Henk Pröpper beweert niettemin in een stuk over het werk van Gerhard Durlacher dat 'de autobiografische literatuur in Nederland een slechte naam (heeft), om niet te zeggen een kwade reuk. Een land zonder grote literaire traditie moet blijkbaar puristisch zijn in het literaire; alleen zo kan de 'hohe Kunst' beschermd worden'. Zwak aan Pröppers essay is dat hij voortdurend critici in het algemeen van alles in de schoenen schuift ('in het oordeel van veel critici', 'moderne literatuurbeschouwers', 'veel literatoren en critici') zonder met namen of voorbeelden aan te komen. Ook durft hij zelf, als het erop aankomt, niet echt een voorkeur uit te speken voor het egodocument boven fantasie: 'Ik schrijf dit alles niet om de autobiografische literatuur als genre in zijn geheel te verdedigen. Dat loont niet de moeite (...) Je schrikt van alle geschriften die door uitgevers op de markt worden geslingerd, wel wetende dat het grote publiek, in tegenstelling tot veel critici, juist verlangend uitkijkt naar autobiografische literatuur.'

Rogi Wieg gaat een stap verder dan Pröpper. Hij presenteert twintig stellingen onder de titel 'Het lef om van je lyrisch ik een ik te maken (een heel klein pamflet)'. Stelling 4 luidt: 'In Nederland bestaat er een hardnekkige opvatting dat een schrijver moet verzinnen. Autobiografisch proza wordt niet tot de literatuur gerekend.' Hij moet (in stelling 5) helemaal teruggaan tot het tijdschrift Merlyn om deze bewering te staven en doet vervolgens alsof dat tijdschrift nog altijd bestaat en of de literatuuropvattingen die daar golden nog steeds de dienst uitmaken. Op de universiteiten zou tot op heden het gebod gelden: 'Gij zult niet zoeken naar overeenkomsten tussen het geschreven werk van een schrijver en het leven van de schrijver zelf'. Volgens Wieg leidt deze houding ertoe dat men kan werken met normen die zijn losgekoppeld van de schrijver, wat de kunstkritiek tot een puur esthetische zaak maakt.

In de stellingen die volgen blijkt dat Wieg terug wil naar het uitgangspunt van het tijdschrift Forum van Ter Braak en Du Perron, waar Merlyn een reactie op was. Hij pleit voor 'de terugkeer van de vent' in de literatuur: de auteur die een mening durft te geven over maatschappelijke vraagstukken en op grond daarvan maatschappelijke invloed kan uitoefenen. Multatuli, Ter Braak, Mulisch, Kellendonk en Otten dienen hem tot voorbeeld. 'Willem Jan Otten heeft zich een tijd geleden bemoeid met de zelfmoordpil van H. Drion. Otten nam, zowel in het openbaar als in fictie, standpunten in over deze pil. Willem Jan Otten manifesteerde zich plotseling als een vent. Ik vond niet dat Otten per definitie gelijk had, maar ik juichte het toe dat hij zich als schrijver van romans en lyrisch dichter met een maatschappelijk vraagstuk bemoeide. Otten werd ineens de vertegenwoordiger van een opvatting. En je kon geloven in Willem Jan Otten. Of niet.'

Schrijvers, meent Wieg, moeten macht nastreven, dan kunnen ze misschien 'iets meer doen voor Nederland dan alleen een kleine groep liefhebbers van steriele fictie ontroeren en amuseren.' Hoe aardig en goedbedoeld dit hartstochtelijke pamflet ook is, de debatingtruc om hoogstaand autobiografisch proza te plaatsen tegenover 'steriele fictie' en dan vervolgens voor het eerste te kiezen, maakt zijn stellingname er niet geloofwaardiger op.