Nederlandse politie moet naar één organisatie toe

Regionale politiediensten kunnen nuttig zijn, maar ze moeten niet worden bestuurd door autonome organen die geen democratische verantwoording kennen en waar de landelijke politiek en de gemeenten nauwelijks invloed op hebben, vindt Thom de Graaf.

Vlak voor zijn afscheid heeft de Amsterdamse korpschef Nordholt gepleit voor een nieuwe reorganisatie van de politie. De huidige regionele korpsen en het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) zouden tot een nationale politie moeten versmelten. Deze nieuwe Rijkspolitie zou dan weer zijn opgebouwd uit regionale afdelingen. Deconcentratie dus in plaats van de gedecentraliseerde autonomie die de Politiewet 1993 kenmerkt.

Opmerkelijk is dat dit pleidooi wordt opgetekend uit de mond van de man die tot voor kort de exponent was van de regionale, in het bijzonder hoofdstedelijke autonomie. Wellicht is de vertrekkende korpschef geïnspireerd door het vooruitzicht van zijn nieuwe functie als adviseur van de minister van Binnenlandse Zaken.

Heeft Nordholt gelijk?

Wie de politiegeschiedenis van de afgelopen twintig jaar beziet, komt tot de conclusie dat er sprake is van een krachtige koers in de richting van een centrale politieorganisatie en niet zonder reden. Eerst was er de dominantie van de onafhankelijke gemeentepolitie: een commissaris met een eigen budget, eigen auto's en vooral een eigen overhead. Die republiek van 148 onverenigbare gemeentepolities en de rijkspolitie voor het platteland werd in de jaren tachtig voorzichtig tot regionale samenwerking gedwongen, om in ieder geval bovenlokale politiezorg te waarborgen. Maar deze intensivering van de regionale samenwerking liep stuk op cultuur- en rechtspositieverschillen, op het vrijblijvend karakter ervan en op de voortdurend aanwezige angst van vele betrokkenen om macht en zeggenschap uit handen te geven.

De volgende, consequente stap tot schaalvergroting van de regionale politie is een belangrijk voordeel gebleken. Toch moeten de ontwerpers van de huidige regionale politie in 1990 bij het begin van de reorganisatie al geweten hebben dat ook dit nieuwe bestel geen rustig bezit zou vormen. Voor bovenregionale of landelijke politiezorg zoals de bestrijding van ernstige en georganiseerde criminaliteit was immers niets geregeld. Hoewel ook toen al duidelijk was dat grenzeloze criminaliteit tenminste een nationale aanpak verdient en veiligheid in toenemende mate door burgers als een landelijke verantwoordelijkheid wordt gezien. Politiebeheer werd vooral een zaak van 25 'grote burgemeesters' en hun ondergeschikte korpschef.

Er is niets tegen regionale politiediensten, maar dat wil nog niet zeggen dat er autonome bestuursorganen moeten bestaan, die geen democratische verantwoording kennen en waar zowel de landelijke politiek als de gemeentenmaar mondjesmaat invloed op kunnen uitoefenen. Uit democratisch oogpunt is bijvoorbeeld de affaire Peper-Brinkman hoogst bedenkelijk: er is geen democratisch gelegitimeerd orgaan dat de regionale korpsbeheerder kan aanspreken op zijn handelen en nalaten.

Het lokaal bestuur heeft voorts maar weinig invloed op wat de agenten binnen de gemeentegrenzen doen: niet alleen het beheer maar ook het gezag over de politie is in sterke mate een zaak geworden van de regionale driehoeken. Ook de minister van Binnenlandse Zaken heeft maar beperkte mogelijkheden om invloed uit te oefenen, daargelaten of de huidige minister van die mogelijkheden wel voldoende gebruik maakt.

Dat geldt niet alleen voor een crisis rond korpschef of korpsbeheerder. Het geldt ook voor andere belangrijke kwesties, zoals de prioriteitstelling van de politie, de handhaving van bepaalde specialisaties bij de politie of het aantal agenten dat op straat loopt. Regering en parlement dienen natuurlijk op dergelijke hoofdlijnen van de veiligheidszorg zeggenschap te hebben, daar rekenen kiezers de partijen ook op af.

Er is niets op tegen om de Nederlandse politie steeds meer als één concern te organiseren, verdeeld in regionale en landelijke werkmaatschappijen. Het is immers de bedoeling dat de kwaliteit van de politiezorg in Groningen even hoog is als in Breda of Renesse? Wel afhankelijk van lokale en regionale problematiek, maar niet van op dit moment doorslaggevende actoren als hoe de leeftijdsopbouw in het korps is, hoeveel financiële reserve is opgebouwd of hoe duur de politiebureaus in de regio zijn. In een klein land als Nederland kan het naast elkaar bestaan van straatarme en 'rijke' politiekorpsen (met alle verschillen van dien) nooit de bedoeling zijn. Het concern moet dan ingrijpen en zonodig tot herverdeling over gaan.

Ook belangrijke taken van de politie zoals de bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit vragen om centrale organisatie. De wet voorziet er niet in, maar inmiddels kennen we naast de interregionale rechercheteams ook een Landelijk Rechercheteam met operationele taken en executieve bevoegdheden. Waar vroeger ogenblikkelijk in een Pavlov-reactie werd gewezen op het risico van een Nederlandse en van justitiële politie, is iedereen inmiddels overtuigd van de noodzaak om ons opsporingspotentieel niet al te zeer te fragmentariseren. Gelet op de bedreiging van de georganiseerde misdaad kunnen we ons dat ook niet langer veroorloven.

De koers naar een meer centrale organisatie moet dus worden voortgezet. Dat past in de historische ontwikkeling van het politiebestel en komt tegemoet aan een paar simpele voorwaarden die aan politiezorg in ons land mogen worden gesteld: het moet democratisch verantwoord zijn, de organisatie volgt de schaal van de problemen, er moet gelijke kwaliteit in het gehele land zijn, en een eerlijke verdeling van middelen. We hebben daarvoor geen nieuwe grootscheepse reorganisatie nodig, de politie heeft wel iets beters te doen. En er hoeft ook geen provinciale politie te komen, waar minister Dijkstal wel eens van droomt. Provinciale politie is voor de politiezorg geen wezenlijke verbetering en legt de verantwoordelijkheid voor het werk op een bestuursniveau dat daar absoluut geen voeling mee heeft.

Langs de weg der geleidelijkheid kan veel worden bereikt, zonder dat de politie in paniek raakt. Voorzover het gaat om lokale, gebiedsgebonden politiezorg kunnen de gemeenten meer (wettelijk gegarandeerde) eigen zeggenschap krijgen over het plaatselijke politieonderdeel. Landelijke bevoegdheden voor het beheer van de regionale onderdelen en de nationaal werkende kernteams moeten wettelijk worden vastgelegd of aangescherpt. Het is daarbij duidelijker en effectiever als er slechts één minister voor politie is, bij voorkeur die van Binnenlandse Zaken.

Het in een democratisch vacuüm opererend regionaal politiebestuur behoeft niet morgen te worden ontmanteld, maar kan wel in betekenis worden teruggebracht. Democratische verantwoording via een regionale commissie van raadsleden blijft ook dan nodig.

Ten slotte zou het goed zijn als de minister en de regio samen via contractmanagement met de nieuwe generatie professionele politiemanagers concrete afspraken maken over middelen en resultaten. De Nederlandse politie als een goed geolied veiligheidsconcern, dat moet ook de collega's van Nordholt aanspreken.