Meesterschap

Het thuispubliek van de FC Utrecht heeft de kennismaking vernieuwd (of de banden voor de eerste maal aangeknoopt) met het kampioenselftal van DOS uit 1958. Drie van de betrokkenen landden zondag in de middencirkel vanuit een wentelwiek, opgewacht door de anderen. Zo maakte ik, laat in dit leven, kennis met de toenmalige middenvoor Dirk Lammers, die destijds veelvuldig scoorde.

Degene die ik al kende uit persoonlijk contact was Ton van der Linden, die er nog verbazend jong uitziet en na een tijd van afwezigheid weer duidelijk betrokken wil zijn bij zijn oude club - al heet die dan niet meer Door Oefening Sterk. Ton van der Linden was in zijn tijd een voortreffelijk voetballer. Prima techniek, veel loopsnelheid, intelligentie en schotvaardigheid, dat waren zijn eigenschappen die eruit sprongen. Hij liep niet graag op ballen die toch niet te halen waren: dat had hij met Abe Lenstra gemeen. Van der Linden is te vroeg geboren. Was hij nu 25 geweest, hij zou prachtige contracten in de wacht hebben gesleept. Maar zo lusten u en ik er nog wel een paar, want hetzelfde geldt voor Kick Smit, Leen Vente, Puck van Heel en vele anderen.

Tonnie van der Linden kwam toe aan 24 interlands. Zijn debuut was in zekere zin merkwaardig, want het viel in 1957 in Madrid tegen Spanje. Er zaten en stonden 105.000 tribuneklanten in het overvolle stadion. Die aanschouwden een Nederlands elftal dat bibberend van de zenuwen uit de startblokken kwam. De reden? Enerzijds de omgeving van het toen al zeer beroemde Bernabeu-stadion, maar vooral de blunder van de leiding om de dag tevoren de training van het Spaanse elftal met een bezoek te vereren. Van der Linden was althans uiterlijk een koele kikker, maar diverse andere Oranjeklanten keken hun ogen uit naar de goochelkunstjes van Alfredo di Stefano en de zijnen. Zodra de Spanjaarden hun tegenstanders zagen arriveren, veranderde hun voordien plichtmatig bewegen in een spectaculaire show die een bijna verpletterende indruk maakte op de brave Nederlanders, die hun frustraties de dag daarop nog lang niet kwijt waren. Di Stefano plaatste een hattrick en Spanje won met 5-1. Van der Lindens laatste interland geviel in 1963 en ook die was geen succes, want tegen Luxemburg werd het een beschamende remise (1-1).

Gelukkig stonden er voortreffelijke interlands tegenover. Daar was die hattrick tegen de Bulgaren, bij het debuut van Humphrey Mijnals en eveneens een drievoudig kunstje tegen de Noren (7-1). Misschien wel zijn beste wedstrijd in Oranje was de 9-1 tegen de Belgen in 1957, beter bekend als de 'FeyeMoord'. Van der Linden was een kunstzinnig voetballer. Een man met stijl, élégance, meesterschap over de bal. En een volbloed combinatiespeler. Grof werk was niet aan hem besteed. Het was goed dat geboren zwoegers als Jantje Notermans en Jan Klaassens ook in dat elftal zaten dat de Belgen destijds zo wegspeelde, want een voorhoede met Wilkes, Van der Linden en Moulijn kon niet rekenen op hardheid en defensief helpen overleven. Weliswaar was mede daarom Kees Rijvers aangetrokken, maar die kon de kar verdedigend ook niet in zijn eentje trekken. Maar het elftal van 1958 was een ploeg waarin men vooral uitging van de overweging dat aanvallen de beste manier van verdedigen was.