Laat niet iedereen hetzelfde doen

Welvaartsvergroting, inkomensnivellering en verbeterde arbeidsvoorwaarden hebben hun tol geëist. De happy few is veranderd in een happy majority - of beter: een tobbende meerderheid. Want het leven valt niet mee als vrijwel iedereen overal kan komen, alles kan kopen en alles kan doen. Wat, als niets exclusief meer is en niets nog enige distinctie heeft?

Zeker met betrekking tot vrijetijdsgedrag, bijvoorbeeld bij het sporten, doet dit zich de laatste jaren voor. Bevond je je vroeger nog in een exquis gezelschap als je op wintersport ging, nu storten zich trein- en busladingen vol over de Alpen uit. Was de tennisclub voorheen een besloten setting, tegenwoordig begeven zich ook de politieman, verpleegster en boekhouder op de tenniscourts. En als ze geen lid zijn van de club, spelen ze wellicht in één van de vele commerciële tennishallen. En ook golf is niet meer wat het geweest is.

Deze massaliteit haalt niet alleen het onderscheidende vermogen weg, maar is ook gewoon hinderlijk. Drukte, lawaai, parkeerproblemen, afval, wachttijden. Kun je eindelijk eens het IJsselmeer over schaatsen, bevind je je in een aaneengesloten lint van vele tienduizenden strompelende mensen. Bovendien trekt de massaliteit commercie aan, die je de illusie van authenticiteit volledig ontneemt, voor zover je die nog had. Houd je van een prachtig muziekstuk, wordt het gebruikt in een reclame voor Calvé pindakaas. Denk je een haast ongerepte plek in de natuur te hebben gevonden, staan er diverse touringcars langs de kant van de weg. Verdiep je je in de Spaanse taal, spreekt men zelfs in kleinere dorpjes Engels en een paar woorden Nederlands.

Vrije tijd is niet leuk meer, een verschrikking eigenlijk. Het roept associaties op met overlast, vakantie-stress, ellende van overvolle stranden en geschuivel in de IKEA. Iets om niet langer na te streven, maar om te vermijden.

Die reactie heeft iets arrogants. Het is de houding van een deel van de tobbende meerderheid die nieuwe distinctiemogelijkheden zoekt. Deze groep is in staat om de vrije tijd af te wijzen, omdat haar leden leuk, creatief en innovatief werk verrichten. En goed betaald werk niet te vergeten.Onder die omstandigheden kunnen zij zeggen: ga niet op reis, meng je niet in de horde, maar ga lekker in je werk op en zorg ervoor zo min mogelijk vrije tijd te hebben. Een leuke boodschap voor de werkloze, de arbeidsongeschikte, de AOW'er. Een leuke boodschap ook voor al degenen die geen voldoening aan hun werk ontlenen. Maar ach, de genoemde aanbevelingen zijn ook niet voor hen bedoeld. Ze zijn gericht tot leden van de eigen kring.

Daarmee wordt het probleem van de vrije tijd natuurlijk niet opgelost. Dat probleem vloeit voort uit de verworvenheid dat het overgrote deel van de bevolking beschikt over een aangename mix van inkomen, vrije tijd en mobiliteit. Om wat tegen dat probleem te doen zou die verworvenheid niet moeten worden gekritiseerd, maar als uitgangspunt genomen moeten worden. De overheid en het particulier initiatief moeten (beleids)strategieën ontwerpen om de nadelen van deze verworvenheid terug te dringen, zonder de pretentie te hebben ze volledig te kunnen uitbannen.

Te denken valt aan bevordering van de recreatie dicht bij huis, flexibilisering van de arbeidstijden, de ontwikkeling van nieuwe sociale arrangementen en wellicht ook beperkende regels over deelname en toegankelijkheid. De vrije tijd kan zo zeer in goede banen worden geleid, dat drukte en overlast worden teruggedrongen. Al blijft een strand of bos alleen voor jezelf een onbereikbaar ideaal.

Eén van de strategieën om verlichting te brengen in de massaliteit van het vrije tijdsgedrag hangt samen met de differentiatie en de flexibilisering die we nu in onze samenleving zien. Daar zijn geen twee groepen, waarvan de ene zich kapot werkt en de ander zich dood verveelt. Kenmerkend is juist dat er een 'fragmentatie' optreedt.

De omvang van groepen die eenzelfde patroon van tijdsbesteding vertonen wordt steeds kleiner. Door de flexibilisering van de arbeid verdwijnen collectieve rustpunten als het weekend. Daarvoor in de laats komen nieuwe individueel gebaseerde rustpunten. Die ontwikkeling verandert onze samenleving en zorgt voor een betere spreiding in de tijd van de deelname aan sport, recreatie en cultuur.

Dat dit tegelijk lijkt te leiden tot een afnemende participatie op deze gebieden zou wel eens te wijten kunnen zijn aan de gebrekkige wijze waarop onze samenleving nu op flexibilisering is ingesteld. Hier ligt een taak voor de overheid, het bedrijfsleven en het burger-initiatief.

Het aanbod van voorzieningen, zoals kinderopvang, moet worden aangepast. Overheidsinstellingen moeten ruimere openingstijden krijgen, beperkende maatregelen voor het bedrijfsleven moeten worden weggenomen en gesubsidieerde organisaties moeten worden gestimuleerd om hun aanbod flexibiler te maken. Je moet doordeweeks niet alleen in de commerciële sportinstellingen overdag kunnen sporten, maar ook bij de sportvereniging. Tegelijkertijd moet je op zaterdagmiddag een postzegel kunnen kopen, als je juist die ochtend jouw persoonlijke weekend hebt afgesloten.

De kunst hierbij is om de flexibilisering niet te laten ontaarden in een vergroting van de jachtigheid in onze samenleving. Hoewel dat vaak anders wordt voorgesteld, ligt hiertussen ook geen noodzakelijk causaal verband. Wel vraagt het om de ontwikkeling van nieuwe arrangementen door de overheid, om nieuwe initiatieven van particulieren, om andere omgangsvormen en een andere benadering van de relatie tussen arbeid en vrijetijd.

De winst hiervan zal hoogstens een kleine verlichting opleveren. Eén ding staat dan ook vast: het blijft tobben met het geld, de vrije tijd en de mobiliteit van tegenwoordig.