E-mail en privacy

ELEKTRONISCHE POST (e-mail) is te vergelijken met een briefkaart in het gewone postverkeer. Het is niet verboden dat de postbeambte daarvan kennis neemt, ook al is hij niet de geadresseerde. In die zin geldt dus geen briefgeheim. Zo staat het ook de aanbieder van Internet-diensten vrij de elektronische berichten door te nemen die ten behoeve van klanten worden opgeslagen in elektronische brievenbussen.

Deze stelling verkondigde minister Sorgdrager (Justitie) vlak voor de vakantie in antwoord op Kamervragen. Deze betroffen het inwinnen van inlichtingen bij twee dienstenaanbieders door de justitie over de afzender van een e-mailbericht in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar voetbalvandalisme. Als de gebruikers van e-mail niet willen dat de elektronische postbode in hun berichten snuffelt, moeten zij dat volgens de minister maar contractueel uitsluiten voordat zij met een intermediair in zee gaan.

De vergelijking met de ansichtkaart is echter vals. Het ligt veel meer voor de hand e-mail op één lijn te stellen met telefoonverkeer. De mogelijkheden van de Internet-provider kennis te nemen van e-mail wijken niet veel af van het gemak waarmee de PTT kan meeluisteren met telefoongesprekken. Maar voor de telefoon geldt een grondwettelijk gegarandeerd telefoongeheim. Dit biedt iedere deelnemer aan het telefoonverkeer een aanspraak op vertrouwelijkheid zonder dat dit nog eens uitdrukkelijk met de intermediair moet worden overeengekomen.

MINISTER SORGDRAGER wil haar dubieuze propositie nu ook nog eens verheffen tot de Grondwet. Het kabinet heeft een voorstel ingediend om het bestaande en beproefde brief-, telefoon- en telegraafgeheim in te ruilen voor een nieuw “recht op bescherming van vertrouwelijke communicatie”. Niet meer het gebruikte medium (brief, telefoon) is bepalend voor de rechtsbescherming, de aard van de communicatie. Om beschermd te worden moet het objectief voor anderen kenbaar zijn dat een en ander niet voor hen is bestemd. Dat kan net zo goed een gedempte conversatie zijn als een telefoongesprek, zo luidt de redenering. Omgekeerd kan een telefoongesprek net zo min besloten zijn als een luidruchtige conversatie.

Deze grondwettelijke nouveauté is ontleend aan een proefschrift dat in 1995 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam werd verdedigd. Het gaat uit van de premisse dat het de voorkeur verdient de regels voor de nieuwe informatiemaatschappij zoveel mogelijk technologie-onafhankelijk te formuleren. De techniek verandert immers voortdurend zodat het recht steeds achterloopt. Dat dit inderdaad een probleem is, laat de privacy-wetgeving zien. Deze werd geschreven met het oog op afzonderlijke databanken met persoonsgegevens en blijkt nu moeilijk toepasbaar op de moderne elektronische netwerken waarin persoonsgegevens heen en weer schieten. Maar het kabinet zegt er niet bij dat de dissertatie waarop het zich baseert in de vakpers ernstig werd gekritiseerd wegens de vaagheid van de ontvouwde theorie.

ONBESTEMDHEID IS een gevaarlijke eigenschap voor de rechten van de mens. Dat een tête à tête in aanmerking komt voor grondwettelijke bescherming weegt niet op tegen het te verwachten verlies aan elementaire rechtsbescherming van moderne elektronische communicatievormen. Zie het standpunt van minister Sorgdrager over de elektronische post. Rechercheurs hebben dit al opgevat als een vrijbrief voor het “elektronisch fouilleren” van Internet-aanbieders zonder dat er zelfs een rechter aan te pas kwam. Wie straks niet ieder computerbericht versleutelt, is vogelvrij. Dat is niet direct een aanmoediging om massaal de elektronische snelweg op te gaan.

Het telefoongeheim is nodiger dan ooit. Het dateert uit een periode dat de PTT staatsbedrijf en monopolist was. Nu is het staatsbedrijf geprivatiseerd en wordt de spraaktelefonie per 1 januari aanstaande vrijgegeven zodat de bescherming van de beslotenheid wordt gespreid over een groot aantal aanbieders. Het zou het vertrouwen in de elektronische snelweg meer ten goede komen wanneer de regering zou voorstellen het telefoongeheim gewoon uit te breiden tot elektronisch datatransport.