Dierbare oude Diergaarde

Toen ik, ongeveer zes jaar oud, voor het eerst de Diergaarde binnenging, was het alsof ik een paradijs betrad. Zodra ik de zijingang van het indrukwekkende hek was gepasseerd, werd ik overspoeld door een golf van kleuren, die bij nader inzien werd veroorzaakt door een bonte verzameling papegaaien.

Op hoge, aan weerszijden geplaatste palen vormden ze een feestelijke toegangslaan, waar ze luidruchtig blijk gaven van hun aanwezigheid door met een rammelende ketting aan een van hun poten heen en weer te schommelen onder het slaken van schrille kreten, die zowel voor een onderlinge conversatie konden doorgaan als voor een uitbundige welkomsgroet. Aan het eind van deze laan strekte zich de tuin uit als een groen labyrint, dat onwaarschijnlijk veel mogelijkheden leek te bieden, met rechts een lange, overdekte roofdierengalerij en verderop de glazen koepels van de plantenkassen spiegelend door de boomkruinen, waarachter ergens in de verte de gedempte, bijna menselijke huilgeluiden van de zeeleeuwen waren te horen.

Dat eerste bezoek heb ik waarschijnlijk te danken aan een oom en tante die, zoals de meeste gegoede Rotterdammers, lid van de Diergaarde waren. Hiervan maakten ze voornamelijk 's zondags gebruik, na de familiereünie ten huize van mijn grootmoeder, wanneer ze er met hun beide dochtertjes heen gingen, die ik vanwege dit uitzonderlijke voorrecht hevig benijdde aangezien mijn ouders op zondag nooit ergens heen gingen en mijn vader en ik, onder zwijgend protest, mijn moeder vergezelden bij haar urenlange wandeling door de stad.

Vanaf het moment dat mijn oom ernstig ziek werd - zijn jongste dochter Annie was toen, net als ik, inmiddels elf jaar en we zaten in de vijfde klas - verscheen mijn tante alleen met haar kinderen aan de zondagse koffietafel bij mijn grootmoeder en begaf zich, om onbegrijpelijke redenen, nooit meer met hen naar de Diergaarde, ofschoon het lidmaatschap nog een heel seizoen geldig bleek te zijn. In plaats daarvan scheen zij het als haar plicht te beschouwen elke week haar schoonvader op te zoeken: een godvruchtig man die in Kralingen woonde en eens, in de grootste verwarring, geknield naast de vensterbank was aangetroffen toen een van de eerste reclamevliegers de naam van een wasmiddel in het luchtruim schreef, met het gevolg dat de grijsaard bij het zien van de eerste twee letters in de mening verkeerde dat een bezwerende vinger bezig was tegen het hemelgewelf de pest te verkondigen.

Omdat Annie en ik het doodjammer vonden dat haar moeder geen stap meer in de Diergaarde zette, terwijl het recht daartoe aan ons zo goed besteed zou zijn, zonnen we op een manier om het ongebruikte lidmaatschap ten eigen bate aan te wenden en ons desnoods met bedrieglijke middelen toegang tot de tuin te verschaffen. Na rijp beraad besloten we het erop te wagen elk een andere ingang te nemen: Annie de hoofdingang met de twee rijen papegaaien aan de Kruisstraat, waar de portier haar kende, en ik de zijingang aan de Kruiskade, waar haar familie zich nooit had vertoond en ik me voor haar moest uitgeven indien ik zou worden aangehouden.

Dit gebeurde inderdaad toen ik met knikkende knieën het portiershuisje naderde en de man achter het loket me sommeerde dichterbij te komen. Terwijl ik schor van de zenuwen zei dat ik Annie heette en haar achternaam, adres en geboortedatum prevelde, bladerde hij in iets dat ik niet kon onderscheiden om vervolgens met een vriendelijk handgebaar in de richting van het verboden paradijs te wijzen, dat ik zowel beschaamd om het bedrog als verbijsterd omdat onze list was gelukt binnenwandelde.

De rest van de zomer ontmoetten Annie en ik elkaar iedere vrije woensdagmiddag bij het apenhuis en vertrokken uit angst voor ontdekking elk weer apart, op dezelfde manier als we gekomen waren. Vooral in het begin was ik hevig geboeid door de levende have op het onrechtmatig betreden terrein, en niet weg te krijgen bij de leeuwen en tijgers, die ongedurig achter de tralies heen en weer liepen, waarbij ze zich na een bepaald aantal passen als vanzelf een kwartslag omdraaiden; of ze lagen roerloos uitgestrekt op de vloer van hun kooi, terwijl hun prachtige oerwoudogen laatdunkend langs de starende wezens aan de andere kant van de tralies wegkeken.

Op het laatst wisten we overal blindelings de weg, in het reptielenhuis evengoed als in de plantenkassen, waar een tropische temperatuur heerste en door de week weinig mensen kwamen. We verbeeldden ons dat we in Indië waren en dwaalden langs de smalle kronkelpaadjes van de kassen, te midden van orchideeën en bloeiende cactussen in een geheimzinnig woud van varens en palmen, waar de stilte alleen werd verstoord door zacht klaterende watervalletjes en we in de bassins met lotusbloemen en waterlelies heimelijk onze penselen uitspoelden als we ons bij slecht weer met een schetsboek en een doos waterverf op een van de banken hadden geïnstalleerd. Begin november hulde de tuin zich in roestige kleuren en vochtige nevels en verdwenen de dieren naar hun winterverblijf. Onze afspraken bij het apenhuis werden steeds schaarser, al kregen we onverwachts de kans om het enige gebouw waar we nog nooit waren geweest - de Diergaarde-sociëteit - te verkennen, toen we van Annie's oudere zusje hadden gehoord dat er iedere zondag een thé dansant werd gehouden.

Teneinde dit evenement, dat voor Diergaarde-leden gratis toegankelijk bleek te zijn, nog op de valreep te kunnen meemaken, hadden we vier weken lang ons zondagsdubbeltje voor een reep bij Jamin opgespaard, tot we (na Annie's zusje, dat er geregeld met haar verloofde heen ging, voorzichtig te hebben gepolst) de tachtig cent bij elkaar hadden om de verplichte garderobe en de goedkoopste consumptie, inclusief fooi, te kunnen bekostigen.

Op een zondag gaven we, wat we wel meer deden, de wens te kennen samen te gaan wandelen en verlieten onze nietsvermoedende familie, voor wie we onze escapades naar de Diergaarde nog steeds geheim hadden weten te houden, om elkaar via onze respectieve ingangen te ontmoeten voor het statige gebouw met de pilaren en de witte ballonlampen. Een brede trap leidde naar het overdekte terras, en na de garderobe belandden we in een zaal vol mensen en harde muziek, met rieten meubelen rond een drukbezochte dansvloer en een band op een laag podium tussen bloembakken en palmen in potten. We hadden afgesproken dat we zouden doen alsof we het allemaal heel gewoon vonden, en aan het eerste het beste onbezette tafeltje dat we vonden bestelden we bij een ober die met een onbewogen gezicht informeerde wat we wilden gebruiken twee glazen spuitwater.

Tot onze opluchting was Annie's zusje nergens te bekennen, en toen we niet, zoals oudere meisjes om ons heen, ten dans werden gevraagd - wat we diep in ons hart hadden gehoopt, omdat we meenden er in onze zondagse jurken veel ouder uit te zien - besloten we met elkaar te dansen. We hadden ons echter nauwelijks een paar passen tussen de foxtrottende paren door gewrongen of we werden opgeschrikt door de bandleider, die ons quasi-vertrouwelijk aanraadde nog enkele jaren te wachten, aangezien de thé dansant uitsluitend voor personen boven de achttien was bedoeld.

Voorzover ik me herinner, hebben we zonder het spuitwater op te drinken de zaal verlaten, en toen ik in de vallende schemer het portiershuisje aan de Kruiskade passeerde, wist ik dat dit de laatste keer was dat ik de Diergaarde had bezocht.

Dertien jaar later vielen in mei 1940 achttien brisantbommen op de weerloze bewoners van de overdadig in bloei staande tuin. Hoewel de meeste dieren toch nog konden worden gered, moesten alle roofdieren door de kogel om het leven worden gebracht en bleef er van de struisvogels en het broedende zwanenpaar zelfs geen veer over. Sommige dieren hingen dood in het jonge groen van de pas ontloken boomkruinen, of strompelden verminkt en verdwaasd rond. De zebra's waren dwars door het water van de Diergaardesingel gevlucht, een merrie zelfs met haar veulen, en volgens ooggetuigen dwaalden de bizons, die door de verwoeste afrasteringen op het naburige spoorwegemplacement waren terechtgekomen, met verschroeide haren tussen de brandende wagons.

De Diergaardesingel bestaat nog steeds, een krom straatje tegenover het Groothandelsgebouw, een laatste herinnering aan de Diergaarde die na het bombardement onmiddellijk verhuisd is naar de nieuwbouw in Blijdorp. Toch zal de oude Diergaarde, ook na de schitterende wedergeboorte in Blijdorp, in mijn herinnering voortbestaan als een van de vele dierbare plekken in het vooroorlogse Rotterdam, dat ik altijd zal blijven zien zoals het was.