Begin

Soms, als ik niets beters te doen heb, doe ik proeven met mezelf. Ik wacht op de trein, werp een blik op de stationsklok en denk een paar seconden lang dat de klok stil staat omdat de secondenwijzer niet beweegt. Maar de secondenwijzer beweegt, en wel elke seconde. Behalve als hij bij de 12 is aangeland, dan lijkt hij op verhaal te moeten komen, dan duurt het inderdaad een paar seconden voor hij zijn reis voortzet.

Die paar seconden haalt hij onderweg wel in, dat wordt over de volle minuut uitgesmeerd denk ik - het onttrekt zich aan mijn waarneming. Je conformeert je snel aan een klok: zijn seconde is jouw seconde. Behalve in het begin dus, op het moment dat je je blik op de klok werpt. Logischerwijs en volgens de wetten van de waarschijnlijkheid moet gemiddeld de secondenwijzer na een halve seconde in beweging komen, soms een halve seconde eerder (dus meteen), soms een halve seconde later. Maar niet twee of drie seconden later, zoals mijn waarneming mij wil wijsmaken. Wat deze proef mij leert is dat ongeduld subjectief te meten is, en ten tweede, dat ik niet in staat ben te schatten hoe lang een seconde duurt zonder behulp van zoiets als een secondenwijzer. Eenmaal in het ritme van een secondenwijzer opgenomen weet ik, voel ik wat een seconde is.

Als je iets ziet aankomen, kun je aardig goed schatten wanneer het aangekomen is. Uitkijkend in de trein zie ik de weilanden als op een grote grammofoonplaat voorbijdraaien, een voorstelling die mij helpt te bepalen wanneer het NU is. Een landweggetje komt op mij toedraaien, een onbewaakte overweg vliegt op me toe, we razen er overheen en ik denk: nu. Waarom ik dit doe en denk weet ik niet, misschien om te weten hoe het voelt, in het nu te zijn. Want voor je het weet gaan je gedachten weer naar vroeger of naar later, zo is de mens.

Wanneer is het begin van iets? Zolang je niet weet wat dat 'iets' is, heeft een vraag naar het begin geen zin en als je het wel weet is het begin al weer voorbij. Ik zie enkele regels van Ida Gerhardt geciteerd: 'Langzaam opent zich het inzicht / dat geen mensenkind kan weten / waar de herkomst van het vers ligt.' Dat is waar. Het geldt voor alles wat nieuw is. Maar ook voor dingen die wij allang kennen. Soms weet je het, maar heb je het niet gezien.

Het begin van een cirkel op een wateroppervlak. Ik sta aan het water, het regent licht, zoals het alleen 's zomers regenen kan: hier en daar een drup - die ik identificeer als de cirkel die snel groter wordt en verdwijnt. De vraag die ik mij stel is, welke van de cirkels aan mijn voeten is de kleinste? Waarom neem ik geen puntcirkel waar? Omdat ik als ik mijn blik richt al te laat ben. Toch had ik laatst geluk. Ik staarde naar het gladde wateroppervlak en, alsof mijn blik de regen dwong: precies daar waar ik keek, daar zag ik een cirkel ontstaan - vanuit het niets.

De avond valt en zoals u misschien weet: dan opent zich de Teunisbloem. Die van vandaag zijn uitgebloeid en hangen verlept naar beneden, die van vannacht zitten nog in hun knop gerold als een vlag om de stok. En zie, daar heeft zich de eerste bloem al geopend, hij heeft mij verrast, ik heb het niet zien gebeuren. En nog een. Ik zie: de knoppen zijn zwaarder dan daarnet. Houd ik mijn oog op ze gevestigd, dan gebeurt er niets en kijk ik ergens anders heen, dan gebeurt het. Kijk ik hier, dan gebeurt het daar. Een enkele keer zie ik het: hoe een gele flap naar buiten springt, maar van de meeste bloemen kan ik straks zeggen dat hun geboorte mij is ontgaan. Het is bijna donker, maar ook tamelijk licht, door al die jonge, gele bloemen.

Zo ook kijk je 's avonds wel 's naar de hemel: om de eerste ster te zien. je ziet de eerste ster, je ziet de tweede, de derde en nog een, en voor je het weet is de hemel bezaaid met sterren. Van elke ster kun je zeggen dat hij er eerst niet was, niet zichtbaar, en toen wel, in al zijn schittering. Maar wie kan zeggen dat hij er een vanuit het niets heeft zien ontbranden?