Universiteiten laten 'ministerknuppelen' dit keer na

Meer academische vorming. Daartoe roepen de universiteitsbestuurders in koor vandaag op. Maar hoe solide is hun eenheid? Een kruiwagen met kikkers bij de opening van van het academisch jaar.

ROTTERDAM, 1 SEPT. De universiteit is sinds vanmiddag weer een tikje minder heilig. Studenten worden er opgeleid tot “tamme en luie hyperspecialistische beroepsbeoefenaren”, bekende de Enschedese rector magnificus F. van Vught. Zijn Groningse collega repte over alumni met een “te plat gereedschapskistje-voor-het-leven”. En collegevoorzitter K. Dittrich kwalificeerde de “performance” van zijn Universiteit Maastricht als een opleiding voor “gespecialiseerde boekenwijzen”. Waar is de homo academicus gebleven?

De universiteitsbestuurders wachten op een nieuw kabinet. Hun redes bij de opening van het academisch jaar vanmiddag stonden in het teken van overpeinzingen. Ze hielden de blik op zichzelf gericht en grepen terug op oude waarden als de academische vorming. Het waren troonredes voor de eigen civitas academica, waarbij van scheldkannonades op minister Rizen (Onderwijs) - de standaard reactie van universiteitsbestuurders op het politieke 'academieknuppelen' - geen sprake was.

Het uitgelekte voornemen over strengere kwaliteitcontroles op de universiteit uit het tweejaarlijkse Hoger Onderzoeks- en Onderwijs Plan (HOOP) dat op Prinsjesdag verschijnt, wekte geen beroering. Het plan om werkend leren te introduceren op de universiteit - volgens criticasters een bijdrage aan de 'verhogeschoolsing' van de universiteit - evenmin.

Het commentaar op de bewindsman was spaarzaam en klonk bekend. Het ging over tekortschietende studiefinanciering die ook de kwaliteit van de onderwijsprogramma's doorkruist - een onderwerp waarover een aparte commissie de minister in november adviseert. En over de voorgenomen financiële injectie aan de beste tien onderzoeksscholen. “Absoluut onwenselijk”, oordeelde collegevoorzitter G.W. Noomen van de Vrije Universiteit in Amsterdam. “Of weet de minister hoe toponderzoek in het Accadisch zich verhoudt tot onderzoek in de fysica op macro-niveau?”

Maar wie hieruit concludeert dat de rust is weergekeerd binnen de universitaire gelederen, vergist zit. De academische veste kraakt. De dertien universiteiten die drie jaar geleden nog en bloc ten strijde trokken tegen een kabinetsbezuiniging van 1,5 miljard gulden op het hoger onderwijs, trekken steeds nadrukkelijker hun eigen plan. Ingegeven door onder meer teruglopende studententallen en de introductie van meer marktwerking is het idee van gelijkheid passé. Zo nam bijna elke universiteit, Maastricht uitgezonderd, vorig jaar openlijk afstand van het egalitaire systeem door speciale paden uit te zetten voor de allerbesten.

Ook vanmiddag tamboereerde elke universiteit op haar eigen kwaliteitskeurmerk. 'Global university Rotterdam', bijvoorbeeld, stond zich voor op haar plannen voor Rotterdamse opleidingen economie en bedrijfskunde in het Engels. Collegevoorzitter J.K. Gevers van de Universiteit van Amsterdam zette in een bestuurlijke beschouwing uiteen hoe hij met de dekaan als academisch regisseur wil voorkomen dat de universiteit “een wonder van onveranderlijkheid” blijft. En bestuurders elders hamerden op hun unieke onderwijskundige aanpak, allemaal varianten op de hippe 'leren-leren-filosofie' waarbij studenten via trail & error zelf kennis verwerven.

De jongste universiteit, Maastricht, heeft hierop de oudste rechten met het in de jaren tachtig geïntroduceerde 'probleem gestuurd (blok)onderwijs'. Maar alleen staat zij niet meer. Tilburg kwam met 'learning by doing'; Twente komt met de 'multidisciplinaire ontwerpopdracht'; VU-studenten moeten een onderwijsproject 'Van Waarden Weten' volgen. Ten slotte bedacht ook Eindhoven een eigen formule, het 'Ontwerpen Gestuurd Onderwijs', ook voor eerstejaars die vanaf 1 december “worden uitgerust” met “allemaal hun eigen notebook”. Eigentijdse academische vorming, stelde rector magificus prof. dr. M. Rem: “Moderne informatietechnologie en een unieke combinatie van analyse en synthese, teamwerk, en werken met andere disciplines.”

Toch zijn het niet alleen individuele initiatieven van universiteiten die het universitaire front doen kraken. De academische veste ondergaat een ingrijpende verbouwing doordat universiteiten steeds vaker kleine onderlinge allianties aangaan, naar eigen zeggen “om de kwaliteit te verhogen”.

Ronduit een oorlogsverklaring aan de negen andere universiteiten lijkt de gemeenschappelijke onderwijsvisie die de vier oudste algemene universiteiten, Utrecht, Leiden, Groningen en de Universiteit van Amsterdam vanmiddag presenteerden. “Wij zijn met onze brede fundamenteel-wetenschappelijke grondslagen en brede disciplinaire opbouw de echte universiteiten”, heet het. En: “Wij menen dat wij beter dan wie dan ook in staat zijn het academisch onderwijs van morgen te verzorgen. Wij bieden excellence op niveau en zullen het begrip universitas blijvend betekenis geven.”

Het blijft niettemin bij een mission-statement, “kinderspel” in de woorden van de Amsterdamse collegevoorzitter en mede-opsteller Gevers. Zeker vergeleken met andere vandaag gepresenteerde samenwerkingsverbanden. De Amsterdamse VU en Twente beginnen een “strategische samenwerking in onderzoek en onderwijs op medisch gebied”. Eindhoven en Maastricht starten samen een studierichting 'biomedische technologie', waaraan dit studiejaar 70 eerstejaars beginnen. En de Delftse universiteit zou het liefst met de twee technische universiteiten een 'Deltaplan Bèta en Techniek' opstellen. Anders, zo voorspelt de collegevoorzitter De Voogd, leveren de TU's over tien jaar 800 ingenieurs te weinig per jaar af in onder meer elektrotechniek, technische informatica en werktuigbouwkunde. Maar voorlopig krijgt De Voogd nul op het request. Eindhoven en Twente willen eerst afwachten of hun gratis studiebeurzen meer studenten trekken.

Is hiermee de bijl geslagen aan de wortel van de universitaire eensgezindheid? Een gesloten front zijn universiteiten nimmer geweest, constateert VU-bestuurder G.W. Nouwen in zijn rede 'Concordia inter nos?' (Bestaat er eendracht onder ons?). Maar “kijkend naar de groeiende bekostigingstekorten is er alle reden voor universiteiten de rijen te sluiten. De geschiedenis leert evenwel dat eigen belang de functie van hemd en eendracht de rol van rok vervult.”

Het valt te bezien of de roep van universiteiten om “een nieuwe Renaissance van de homo academicus” de gelederen weer zal sluiten. Ritzens accent op internationalisering als eigentijdse invulling van dit oude ideaal is in de ogen van menig universiteitsbestuurder te beperkt. En de eigen oplossingen blinken uit in veelvormigheid: Groningen vertaalt de academische vorming in wat meer geschiedenis; Leiden wil doctoraalstudenten verplichten tot filosofie; en Enschede schrijft de combinatie van een technisch en sociaalwetenschappelijk vak voor. Nee, waarschijnlijker is dat de universiteiten hun eigen accenten op de academische vorming ieder voor zich zullen uitventen als unique selling point. Op weg naar weer een nieuw academisch jaar.