Tankslag

Voor de winkel van 'brandstofleverancier' J. v.d. Hoek in de Amsterdamse Pijp staat een Volkswagen pick-up met een olietank geparkeerd. 's Zomers ligt de handel in olie weliswaar zo goed als stil, maar in de winter brengt de kleine Amsterdamse olieboer nog zeker zo'n 50.000 liter rond.

“Het zijn niet de jongelui”, zo typeert v.d. Hoek zijn klantenbestand voor olie. Vooral bejaarde Amsterdammers zijn verknocht aan hun vertrouwde oliehaardje. De rompslomp en de kosten die vervanging door centrale verwarming met zich meebrengt zijn hun te veel.

Het voorrijden van de olieboer - als opvolger van de kolenboer - was begin jaren vijftig nog een teken van welvaart. De kaart van de milieudienst Amsterdam met daarop het bestand aan ondergrondse olietanks is tevens een indeling naar sociale klassen: één stip in de voormalige volksbuurt de Jordaan, een ketting van stippen langs de Keizersgracht en de Herengracht en in Amsterdam-Zuid. Inmiddels zijn de meeste oliekachels vervangen door gaskachels of centrale verwarming en liggen door heel Amsterdam in perken en achtertuinen zo'n 5.800 in onbruik geraakte opslagtanks onder de grond.

Olietanks zijn de meest voorkomende oorzaak van bodemvervuiling in de stad. Door het herhaald gebruik van de peilstok zijn veel tanks 'lekgeprikt'. Het kwam ook wel voor dat de olieboer zijn slang in het vulpunt aan de voorgevel hing, even een boterham ging eten en bij terugkomst ontdekte dat in de achtertuin de tank was overgelopen.

Omdat de tijd ondergronds verder vreet, is de Milieudienst Amsterdam begonnen met het saneren van olietanks bij particulieren, de Operatie Tankslag. Als Amsterdammers 'hun' tank voor 1 maart volgend jaar laten saneren, krijgen ze subsidie van de gemeente en kost het hun ongeveer achthonderd gulden. Het maakt dan financieel niets uit of het saneringsbedrijf kan volstaan met het afvullen met zand, of dat de tank in zijn geheel verwijderd moet worden. Na 1 maart volgend jaar kan de sanering flink in de papieren lopen. Volgens het dan geldende 'Besluit Opslaan in Ondergrondse Tanks' moet de olietank worden verwijderd, wat ruim zestienhonderd gulden kost. Bovendien draait de bewoner op voor een analytisch bodemonderzoek dat drieduizend gulden kost.

Ondanks voorlichtingsavonden, advertenties in dagbladen en persoonlijk gerichte brieven en ondanks de dreigende kosten heeft nog maar veertig procent van de tankeigenaars gereageerd. Vooral van bewoners uit de grachtengordel komt amper respons. Het vooruitzicht is ook weinig aantrekkelijk: een grote roestige sigaar met een inhoud van 3.000 liter die met een hijskraan over het monumentale pand wordt getakeld of in plakjes gesneden met kruiwagens door het huis wordt afgevoerd.

Alleen de olietanks nabij het Anne Frank-huis op de Prinsengracht hebben vooralsnog tot opwinding geleid. De olietanks waren in het verleden een paar keer overgelopen en bodemonderzoek in de jaren zeventig had uitgewezen dat er olie in het grondwater zat. De kastanjeboom waar Anne Frank in haar dagboek over schreef zoog dit oliehoudende grondwater aan. Toen dit bekend werd, kwamen uit de hele wereld boze brieven: de boom van Anne Frank mocht niet kapotgaan. Vijf jaar geleden zijn de wortels afgeschermd met speciaal folie en sindsdien krijgt de boom kunstmatig water.

Intussen stelt brandstofleverancier v.d. Hoek uit de Amsterdamse Pijp een kentering vast in de vraag van zijn klanten. De keuze voor een brandstof blijkt nog steeds langs lijnen van sociale klassen te lopen. “Ik bedoel het niet negatief, maar de Pijp wordt een beetje een yuppen-buurt.” De meeste huizen zijn weliswaar voorzien van centrale verwarming, maar uit nostalgische overwegingen herstellen nieuwe bewoners ouderwetse potkacheltjes in ere. Amsterdam stookt weer kolen.