Musical Joe lonkt naar de internationale markt

Voorstelling: Joe, musical van Ad van Dijk en Koen van Dijk, door Joop van den Ende Theaterprodukties. Spelers: Stanley Burleson, Vera Mann, Mathilde Santing, Simone Kleinsma, Rolf Koster, Wil van der Meer, e.a. Decor: Paul Gallis. Kostuums: Yan Tax. Licht: Reinier Tweebeeke. Muziek o.l.v. René Op den Camp. Choreografie: John Yost. Regie: Jos Thie. Gezien: 31/8, theater Carré, Amsterdam. Aldaar t/m 23/11; daarna Nederlands Congresgebouw, Den Haag, tot medio '88.

Het mooiste van Joe, de met ongekend veel tromgeroffel geannonceerde musical van Nederlandse makelij, vind ik het nummer dat Mathilde Santing te zingen krijgt als de in stralend wit gehulde engel. Zij stuurt de verongelukte oorlogsvlieger terug naar de aarde om zijn treurende vriendin de vrijheid te geven nu van iemand anders te houden. Wat jullie op aarde inspiratie noemen, zingt ze op tantaliserende toon, is niets anders dan wat wij jullie influisteren - en daarom kan Joe daar beneden, hoewel onzichtbaar, toch nog een belangrijke rol vervullen. Het is een ragfijn, betoverend liedje, dat na de gala-première van gisteravond nog steeds door mijn hoofd zweeft, en dat ik, ook als de rest van de show uit mijn geheugen is weggevaagd, zal blijven koesteren.

Joe, naar de uit 1943 daterende film A Guy Named Joe, die in Nederland nimmer werd vertoond, is geschreven door het Cyrano-duo Ad van Dijk en Koen van Dijk en werd geproduceerd door Joop van den Ende die de mogelijkheid schiep er een tien miljoen gulden kostend spektakel op meer dan Cinemascope-formaat van te maken. Theaterbreed zoeven er geprojecteerde vliegtuigen op ons af, terwijl in het oneindig hoog ogende toneelhuis de illusie wordt vervolmaakt met een keur aan hydraulische effecten, klappertjes en bommetjes, razendsnelle liften en een tastbaar vliegtuig dat zich bedrieglijk echt van de aarde verheft. Dit zijn de ingrediënten die een internationale mega-musical tot een kassucces maken, vergelijkbaar met de neerstortende kroonluchter uit The Phantom of the Opera en de opstijgende helikopter uit Miss Saigon.

En ook anderszins heeft Joe de ambitie op dat niveau te wedijveren. Dat er volop naar de internationale markt wordt gelonkt, blijkt niet alleen uit het viertalige programmaboek, maar ook uit de theatrale manier waarop componist en tekstschrijver het thema uit de film hebben verwerkt. Anders dan in de traditionele Broadway-musical of in de cabareteske musical-traditie van ons land, is de hedendaagse mega-musical immers de plek voor melodrama, voor uitvergrote emoties en voor de quasi-symfonische proporties van een doorgecomponeerd script zonder dialogen. Alles moet in de songs worden gezegd, en in de - ook hier - vaak stroperig getoonzette recitatieven. Voor ironie of reflectie is geen ruimte, de gevoelens moeten primair worden vertolkt en liefst meteen tot de hemel reiken.

Het curieuze gevolg van die aanpak is, dat in Joe de Nederlandse herkomst in geen enkel opzicht meer merkbaar is. Koen van Dijk weet in diverse scènes de zangteksten weliswaar met puntige dubbelrijmen welluidend te maken ('wat doe ik hier in Phoenix / de zon brandt en ik zie niks'), maar in de kern-songs sluit hij zo zeer aan bij het angelsaksische cliché-idioom dat het soms is alsof ze uit het Engels zijn vertaald. Af en toe zelfs een beetje houterig ('ik vroeg jou te zien / door een muur van steen, / ik vroeg jou te horen /door de stilte heen'), alsof hij had moeten worstelen met de compactheid van het origineel. Maar dit is het origineel!

Ook de muziek van Ad van Dijk klinkt als die van grote voorbeelden als Lloyd Webber of Claude-Michel Schönberg. Behalve een paar smeuïge nummers die aan de swing van 1943 doen denken, en een enerverend stukje ketelmuziek, werkt hij voornamelijk met de combinatie van strijkers, blazers en gierende gitaren - de pathetiek van de pop-opera.

Des te groter lijkt me de verdienste van regisseur Jos Thie, dat de hoofdpersonen niet ten onder gaan in de grootsheid van het geheel. Terwijl om hen heen de benauwde oorlogssfeer met veel vertoon van macht en machinerieën wordt opgebouwd, overheerst in de scènes met Joe en zijn vriendin Dorinda de menselijke maat. Daar komt nog bij, dat Stanley Burleson en Vera Mann de ideale hoofdrolspelers zijn: hij met zijn nonchalante macho-charme en zijn vocale felheid, en zij met haar natuurlijke aanwezigheid en haar fonkelende zangstem die ze verheugend vaak inhoudt tot de spanning zich wel móet ontladen. Samen zijn ze de hartslag van de show.

Simone Kleinsma en Wil van der Meer spelen op het tweede plan een koppel dat in de film niet voorkomt, maar heel effectief wat comedy-elementen toevoegt en commentaar levert op het voornaamste liefdesverhaal. Rolf Koster heeft als de recruut Ted die later naar Dorinda's gunsten dingt, aanzienlijk minder reliëf. In dramaturgisch opzicht lijkt me dat een tekortkoming; zijn hang naar haar komt nogal uit de lucht vallen en zijn lot kan ons weinig schelen omdat we hem niet hebben leren kennen - en als Joe tenslotte een groot gebaar maakt door de bijna verongelukte Dorinda terug te sturen naar het land der levenden (en dus terug naar haar jonge aanbidder), is die Ted voor ons nog steeds niet veel meer dan een anonieme kloon van Joe.

Maar het slotbeeld vond ik weer heel mooi: centraal bovenin de onaardse engel, Joe halverwege een metershoge trap naar de hemel omkijkend naar beneden, en het nieuwe liefdespaar op de grond - vlak voor een vliegtuig dat nu eindelijk tot rust is gekomen, en bij muziek die haar spanning vooral ontleent aan de stiltes.