Ik was gewoon niet zo'n killer

Als kind rolschaatste ik al graag. Met vriendjes deed ik vaak wedstrijdjes op het schoolplein. Ik won meestal. Schaatsen deed ik ook graag. Zodra er natuurijs lag, trok ik op het ijs m'n baantjes.

Aanvankelijk was ik vooral goed bij schaatswedstrijden over sprintafstanden. Langzaam aan begon ik echter steeds meer interesse te krijgen in marathonschaatsen. In de strenge winters van 1985 en 1986 werd ik echt fanatiek. Ik was toen nog een broekie, maar kon toch aardig meedoen met grote jongens als een Evert van Benthem.

Met skeeleren begon ik als training voor het schaatsen. Maar al snel vond ik skeeleren leuker dan schaatsen. Deels omdat daar meer publiek op af kwam dan voor marathonwedstrijden op kunstijs, deels omdat ik geen zin meer had in 'het gedoe' rondom marathonschaatsen. Ik was B-rijder, wat betekent dat jouw wedstrijden vaak pas om elf uur 's avonds zijn. Kijk, ik was nog jong en dan wil je ook weleens stappen. Na zo'n late wedstrijd kwam ik pas om een uur of drie thuis. Dan waren de kroegen al dicht. Skeeleren is praktischer dan schaatsen: je doet die dingen aan en rijdt de deur uit. Je hoeft niet eerst naar een ijsbaan.

Ik ben vorig jaar gestopt. Om, zoals dat heet, voorrang te geven aan m'n maatschappelijke carrière. Zeker, ik was nog vrij jong, maar stoppen was niet echt moeilijk omdat ik in 1995 Nederlands kampioen was geworden. Dan zet je er makkelijker een punt achter dan wanneer je altijd tweede of derde was. Wat ik doorgaans overigens was: in één seizoen ben ik liefst negen keer tweede geworden, meestal achter Erik Hulzebosch. Leuk is dat niet, maar ik was in de eindsprint gewoon niet zo'n killer.