Groothertog pakt duiven

Luc vertelt het nog vol verwondering. Meer over zichzelf dan over de vogel, zo blijkt, terwijl we in zijn tot open pick-up afgezaagde Simca 1100 langzaam de lintvormige bergweg afhobbelen. Een willekeurige Nederlandse binnenstad staat vol terreinwagens, maar bergbewoners in de Pyreneeën redden zich wonderwel met overjarige personenauto's.

Luc is zo aardig me een lift naar de winkel in het volgende dorp te geven, in zijn bergdorp Nyer is nu eenmaal niets te koop. Druk gebarend met zijn sigaret doet hij zijn relaas: hij was tijdelijk bezitter van een oehoe, Europa's grootste uil. Eigenlijk had hij het dier willen doden, maar er kwam wat tussen.

Ja, natuurlijk herinner ik me zijn sierduiven. In vorige jaren klonk hun gekoer in de stille middag. In hun hok van kippegaas op zijn binnenplaats waren ze ook goed zichtbaar. Misschien had er al een gat in het gaas gezeten, vertelt Luc. In ieder geval: op een ochtend bleef het opvallend stil. Toen hij poolshoogte ging nemen, trof hij in het hok twee sterk gehavende duivenlijkjes aan. En een Grand Duc, een oehoe, die de uitgang niet meer kon vinden en zijn verwarring verborg achter hooghartig ooggeknipper. Luc was meteen zijn huis ingestormd en op wraak belust teruggekeerd.

Met zijn geweer in de aanslag bekeek hij de reusachtige uil wat nader. En begon langzaam onder de indruk te raken. “Hij was groot!”, en zijn armen beschrijven, langdurig los van het stuur, de contouren van een condor.

Er was geen haast, besloot hij. Hij ging er even voor zitten met een sigaretje. Het geweer verhuisde naar zijn knieën. “Die ogen! Ze knipperden als alarmlichten, die ogen, diep oranje. En die klauwen - enorm, met veren erop. En alle soorten bruin op zijn rug. Een moordenaar - maar mooi hoor.”

Een tweede sigaret, het geweer werd naast de stoel gezet. Na een uurtje bracht hij het geweer terug naar de keuken. Dit moesten zijn vrienden ook even zien. “We hebben nog lang zitten kijken, iedereen kwam even langslopen. En iedereen zei dat ik hem eigenlijk dood moest maken.”

“De volgende dag, zaterdag, heb ik hem gevangen. Ah, die snavel, ce bec, levensgevaarlijk. Ik heb handschoenen aangedaan, een grote zonnebril opgezet en voor de zekerheid ook nog een sjaal omgewikkeld. Ik zag er niet uit”, lacht hij, met zijn hand op het stuur slaand. “Ik heb hem in een kist en in de auto gestopt, en ben zo ver mogelijk de bergen in gereden”, zegt hij, vaag in de richting van de Spaanse grens wijzend, “over allerlei oude rotweggetjes. Toen heb ik hem losgelaten. Hij bleef nog even op de kist zitten kijken. En toen hij wegvloog, met die enorme vleugels - niks. Je hoorde helemaal niks, als bij een spook. Toen moest ik dat hele eind weer terug over de stenen, wel twintig kilometer. Het heeft me m'n zaterdag gekost.”

Hij schudt, zichzelf nauwelijks begrijpend, zijn hoofd. “Alsof ik verdomme een dwaas ben. Dat vond iedereen die ik het vertelde. Maar het moest wel, want anders komt hij weer op m'n nieuwe duiven af.”

“En oehoes zijn tenslotte beschermd”, probeer ik bureaucratisch op zijn Nederlands, “zoveel zijn er niet. Ze schieten is verboden.” Luc kijkt niet-begrijpend en laat daarna ongeïnteresseerd zijn blik langs de bergtoppen gaan, zijn gezicht in de 'och'-stand. In het dorp komt maar af en toe een politieman langs. Soms zijn het er in een keer vier, met pet en al rechtop zittend in het laatste, blauwe politie-Renaultje 4 van Frankrijk. Die komen de burgemeester een hand geven, drinken een glas en zijn weer weg.

“Ik heb ze al besteld, de nieuwe duiven”, vervolgt Luc. “Ik ga ze nu ophalen. Weer twee witte, met een waaierstaart.”

Later toch maar de oehoe er nog even op nageslagen. Ik was er al bang voor. Oehoes, teruggedreven tot in onherbergzaam gebied, hebben een groot territorium. Nachtelijke voedseltochten voeren hen soms tot op indrukwekkende afstand van het vertrekpunt. Een beetje oehoe vliegt ver heen en weer voor een hapje. In een nacht wel twintig kilometer.