Een huis rond een uitzicht

Ik sta perplex. 'Kamers met ontbijt' staat er op een slordig bordje achter het raam. Dat kan niet waar zijn: logeren in het Wooldhuis, logeren in het mooiste huis op de mooiste boulevard van Nederland.

Enkele weken later verblijf ik als één van de laatste gasten in het Wooldhuis, dat zo majestueus de kop van de Vlissingse boulevard afsluit. Een villa aan zee en wat voor één; nergens in Nederland heb je zo'n kolossaal uitzicht - de schepen op de Westerschelde varen pal aan je voorbij, de duinen van Dishoek en Zoutelande liggen aan je voeten. En aan de overkant zie je 's avonds de lichtjes van Knokke als een zoete verlokking schitteren.

Het Wooldhuis (1931) is een schepping van de Haagse architect Dirk Roosenburg, tijdgenoot van Oud, Dudok en Rietveld, maar altijd in hun schaduw gebleven. De villa in Engelse landhuisstijl met invloeden van Berlage en Frank Lloyd Wright was één van zijn eerste opdrachten. Later zou hij onder meer het hoofdkantoor van de KLM in Den Haag en dat van de Sociale Verzekeringsbank in Amsterdam ontwerpen. Liefhebbers kennen ook zijn villa Windekind in Den Haag, gebouwd voor de legendarische adviseur van Wilhelmina, François van 't Sant.

Ik verblijf in de Heerenkamer van het Wooldhuis, de werkkamer van deze vroegere burgemeesterswoning. Dit is met recht a room with a view. Ik word er nerveus als een kind voor de etalage van Jamin, zo overweldigend is het panorama. De oorspronkelijke bewoner, de vooroorlogse burgemeester Albert van Woelderen werkte hier met zijn rug naar het raam: hij kende de verleiding maar al te goed. Rijksbouwmeester en architect Wytze Patijn verbleef in '94 een week in het Wooldhuis om zijn inaugurele rede als hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft voor te bereiden en raakte in de ban van het panorama. “Ik heb niets gedaan, ik heb alleen maar naar buiten gekeken.”

Patijn stuitte een jaar eerder tijdens een fietstocht met een vriend bij toeval op het Wooldhuis: “Kijk een rond huis!”, riep hij zijn reisgenoot toe, terwijl ze de boulevard al wilden verlaten. De architect kende de schepping van Roosenburg niet, maar was - nadat hij er die nacht ook logeerde - meteen verloren: “Het gebouw heeft mij gegrepen. Vanuit elke hoek heb je een bijzonder uitzicht; het uitzicht is hier tot een deugd verheven.”

Heel lang zag het ernaar uit dat het Wooldhuis zou verdwijnen. De laatste particuliere eigenaar verkocht het na jaren van leegstand in '93 aan een projectontwikkelaar, en zie, daar gloorde weer zo'n pompeus nieuwbouwplan. Gealarmeerde Vlissingers, sympathisanten als Wytze Patijn en uiteindelijk staatssecretaris Nuis redden het pand van de ondergang. Nuis gaf het in '95 de status van beschermd monument. Sloop was daarmee afgewend, maar een nieuwe bestemming bleef uit en intussen zette het verval zichtbaar door.

Dit jaar kwam de redding. Een koper diende zich aan en één die er ook in wilde wonen. Sterker, één die het huis in zijn oorspronkelijke staat wilde terugbrengen. De liefde voor een villa aan zee bracht Johan van der Werf, directeur bij Aegon Nederland, tot de aankoop.

Vijfentwintig jaar lang is hij al verliefd op het huis. “Als 19-jarige scholier op de Zeevaartschool kwam ik er iedere dag langs. “Jeetje wat een mooi pand, dacht ik.” Met zijn Vlissingse echtgenote droomde hij later samen van het Wooldhuis: “Als we daar zouden kunnen wonen, dat zou toch fantastisch zijn, zeiden we dan tegen elkaar.” Vlissingen bleef trekken, het Wooldhuis bleef trekken en onlangs deed zich de mogelijkheid voor. Van der Werf: “Wat me fascineert is de harmonie tussen binnen en buiten. Als je in het huis loopt, heb je het gevoel dat alles je precies past, zo perfect zit het in elkaar.”

Die ene dag dat ik mij bewoner van het Wooldhuis mag noemen, proef ik de sfeer van het huis. De ambachtelijke detaillering, de strakke vormen en de eigenheid van iedere kamer. Ik bewonder de plafondschildering van Rie Cramer in het boudoir van de echtgenote van Van Woelderen en ik gruw van de aantasting die de binnentuin, een schepping van Mien Ruys, heeft ondergaan. Verborgen blijft de loggia, maar die was nu eenmaal voorbehouden aan de burgemeester om op Koninginnedag het defilé af te nemen.

Mark Graafland en Solita Stuekes, twee Haagse architecten, nemen deze maand de restauratie ter hand. Minutieus hebben zij het pand ontleed om de oude materialen en kleuren vast te stellen. De gevel wordt weer wit zoals vroeger, de schildering van Rie Cramer wordt hersteld en op het dak worden de oorspronkelijke donkerrode leipannen gelegd. Ook zij hebben een zwak voor het Wooldhuis opgevat: “Het leuke van deze opdracht is dat we helemaal in het huis zijn gedoken; we zijn er ontzettend vertrouwd mee geraakt.”

Mijn dag in het Wooldhuis zit erop. Maar ik heb de nacht nog. Vanuit een gammel hemelbed hou ik uitzicht over zee. En anders heb ik de verrekijker, vast attribuut van iedere boulevardbewoner, bij de hand. Maar het ritme van de aanhoudende golfslag op het strand maakt slaperig en ik glij weg - tot ik wakker schrik van een hevig gestamp. Ik ren naar het raam en zie het silhouet van een imposant schip dat langzaam uit het zicht verdwijnt: a ship passing in the night.

De volgende ochtend is de droom voorbij: ik verlaat het Wooldhuis met een dubbel gevoel. De logeerpartij gaf een kick, maar het idee dat ik er waarschijnlijk nooit meer terugkeer, stemt me melancholiek. Als ik de deur dichttrek, is het Wooldhuis ver weg als een onbereikbare liefde.