Chronisch psychiatrische patiënten thuis bezocht; Opgedrongen hulp helpt

Om vereenzaming van psychiatrische patiënten te voorkomen, bezoeken hulpverleners in Groningen de patiënten thuis. Andragoog Polstra onderzocht het effect van deze actieve benadering.

ROTTERDAM, 1 SEPT. Door hulpverleners chronisch psychiatrische patiënten thuis op te laten zoeken, wordt voorkomen dat zij van hulp verstoken blijven. Dat concludeert andragoog L. Polstra in zijn proefschrift Tussen Isolement en Integratie, waarop hij donderdag aan de Rijksuniversiteit Groningen hoopt te promoveren.

De andragoog onderzocht de effecten van het zorgcoördinatieproject in Groningen op vijfenzeventig chronisch psychiatrische patiënten die thuis wonen of dakloos zijn. Ook in andere middelgrote steden in Nederland lopen dergelijke projecten waarbij de hulp 'opgedrongen' wordt.

In Nederland leven ongeveer tweeduizend chronisch psychiatrisch patiënten op wie de hulpverlening nauwelijks vat heeft. Polstra:“Tussen het intake-gesprek bij een Riagg en de beslissing welke hulp iemand moet krijgen, zitten weken. Voor mensen met een enkele fobie werkt dat wel. Chronische patiënten hebben daarentegen een kluwen van problemen. Ze zijn psychotisch, hallucineren, horen stemmen, hebben financiële problemen en sommigen hebben ook nog een ernstig drank- of drugsprobleem. Psychotische cliënten durven vaak geen brieven open te maken of hun huis uit te gaan. Het Riagg hoort dan niks van de cliënt en schrijft hem uit. De patiënt trekt op zijn beurt de conclusie dat hij geen hulp krijgt of dat hulpverleners niet te vertrouwen zijn.”

Het zorgcoördinatieproject in Groningen dat Polstra onderzocht, heeft het doel het vertrouwen van de chronisch psychiatrisch patiënt in de hulpverlening te herstellen en zo goed en kwaad als dat gaat te zorgen dat de cliënt zich staande kan houden in de samenleving. “In dit project laat de hulpverlener het niet bij één bezoek, maar keert hij telkens terug. Het kan heel langzaam gaan, maar meestal komt contact tot stand. Ook omdat de cliënt steeds door dezelfde hulpverlener wordt opgezocht”, zegt Polstra. Van de vijfenzeventig chronisch psychiatrische patiënten die het zorgcoördinatieproject in Groningen benaderde, wezen zeven personen alle contact van de hand.

Het project toont volgens Polstra dat er veel manieren zijn om met chronisch patiënten in gesprek te komen. “Je hoeft niet bij iemand in huis te komen, om aan de weet te komen wat er ongeveer speelt. Als je door de deur heen praat kan je vragen of iemand naar het raam komt, zodat je elkaar kan zien. Als de cliënt zegt dat dat niet kan omdat hij de kamer niet in kan, dan kunnen er twee dingen aan de hand zijn: of er ligt te veel troep om naar binnen te gaan, of de cliënt is bang om die ruimte te betreden.”

Dankzij het project wordt vereenzaming van chronisch patiënten tegengegaan en hun isolement enigszins doorbroken. “Problemen worden eerder gesignaleerd waardoor een moord als in de Vrolikstraat in Amsterdam misschien voorkomen kan worden”, denkt Polstra. In maart 1993 sloeg daar een psychiatrisch patiënt zijn buurmeisje dood. De onderzoeker benadrukt dat zulke gevallen echter zelden voorkomen.

De moeilijkst benaderbare groep bestaat volgens de onderzoeker uit de psychiatrisch patiënten die ook een drank- of drugsprobleem hebben. Van de zeven mensen die niet wilden meewerken aan het zorgcoördinatieproject, hadden er vijf een ernstig drank- of drugsprobleem. Negentien andere drugsgebruikers zijn wel bereikt. “Weliswaar is het een heel lastige groep, maar het zijn vaak de hulpverleners die ontmoedigd raken. Vooral bij deze groep zien zij geen vooruitgang, waardoor zij te snel het excuus opvoeren dat de cliënt niet wil meewerken”, stelt de andragoog.

Polstra vindt dat hulpverleners niet te veel op vooruitgang moeten letten. “Het is mooi als er vooruitgang wordt geboekt, maar het is ook van belang dat de chronisch psychiatrische patiënten zich staande kunnen houden in de samenleving. Dat kunnen zij niet zonder hulp van andere mensen. Ik vind dat we als samenleving deze mensen een stap tegemoet moeten komen.”