Bononcini blijkt sprankelender en leuker dan Händel

Voorstelling: Il trionfo di Camilla van G. Bononcini door La Borea o.l.v. Jos van Veldhoven. Regie: Jos Groenier. Gezien: 31/8 Stadsschouwburg Utrecht. Herh.: 1, 5, 6/9.

Er is kennelijk een Fremdkörper voor nodig om de strekking duidelijk te maken van Il trionfo di Camilla, de opera van Giovanni Battista Bononcini die deze week vier keer wordt opgevoerd tijdens het Holland Festival Oude Muziek. Aan het begin van de voorstelling zie je op een televisiescherm een brutaal ontblote damesborst die lijkt te hunkeren naar een minneschicht. Tegelijkertijd, zo toont de zwenkende camera, houdt de dame echter krampachtig de koningsappel omhoog. De televisie verdwijnt hierna uit beeld en keert tijdens de voorstelling niet meer terug. Wat volgt is een tamelijk traditioneel geënsceneerde, soms wat trage, soms humoristische operaproduktie. Geen high tech meer, maar protagonisten in rood fluwelen robes en knielaarzen. Het is alsof we kijken naar een film over vroeger tijden, wetend dat het thema nog steeds actueel is.

Il trionfo di Camilla gaat over de keuze tussen macht en liefde, daarover laat het televisiebeeld geen misverstand bestaan. Camilla is de dochter van een uit zijn rijk verdreven koning die sterft in ballingschap. Volwassen geworden, zint Camilla op wraak. Zij weet door te dringen tot het paleis van de wrede heerser Latino, maar het is haar lot hopeloos verliefd te worden op diens zoon Prenesto, een liefde die wederzijds blijkt. Als Camilla uiteindelijk de mogelijkheid creëert haar vader te wreken door Latino, zijn dochter Lavinia èn Prenesto te doden, en daardoor zelf terug te keren op de troon, wint de liefde het echter van de gevoelens van wraak. Zij laat genade voor recht gaan, trouwt Prenesto en iedereen leeft nog lang in vrede, voorspoed en geluk. Zo triomfeert Camilla op alle gebied. Zij kiest voor de liefde, maar speelt het zodanig, dat de macht haar evenmin ontgaat.

Het libretto, in de verte geïnspireerd door Vergilius, werd geschreven door Silvio Stampiglia, die een tijdlang Bononcini's vaste tekstschrijver was. Giovanni Bononcini (1670-1747) componeerde zo'n vijfentwintig opera's, waarvan Il trionfo één van de meest succesvolle was. Het werk ging eind 1696 in Napels in première en werd in ruim tien jaar tijds zeker 23 maal opgevoerd.

In het eerste kwart van de achttiende eeuw waren er nog 111 opvoeringen in Londen. Daar werkte Bononcini aanvankelijk samen met de vijftien jaar jongere Händel, maar beiden zouden alras bittere tegenstanders worden en elkaars grootste concurrenten. De uitslag is bekend: Händel drong door tot de Olympus van de muziekgeschiedenis, Bononcini moest genoegen nemen met een lemma in de encyclopedieën. Er speelde nog zoiets als een plagiaat-affaire, en Bononcini verdween uit het collectief geheugen.

In Utrecht wordt de belangstelling voor Bononcini sinds enige tijd weer wat aangewakkerd. Tweeënhalf jaar geleden werd in de Utrechtse Geertekerk Il trionfo al eens semi-scènisch uitgevoerd op initiatief van musicoloog Taco Stronks, die aan de opera zijn afstudeerscriptie wijdde. De vocale bezetting was goeddeels dezelfde als in de huidige produktie; dirigent was toen, evenals nu, Jos van Veldhoven.

Die uitvoering in 1995 kon maar matig boeien. Hoewel ook toen het fors aantal oorstrelende aria's en duetten opviel, was het een pantoffelparade van protagonisten die veelvuldig op en af moesten. Mede door de sobere regie van Jos Groenier, wordt nu duidelijk dat Il trionfo desondanks een opera is die zich ook tegenwoordig moeiteloos kan meten met tal van andere werken uit de barok. Sterker nog, in muzikale variatie en in lichtvoetige luim, is Il trionfo sprankelender dan menig werk van Händel. Ondanks de coupures (het gehele werk schijnt zo'n vijf uur te duren) moet men wel over enig uithoudingsvermogen beschikken.

Guillemette Laurens is in deze produktie van meet af aan een felle, gebeten Camilla. De psychologische ontwikkeling die zij doormaakt van wraakzuchtige dochter tot liefhebbende leider, komt niet helemaal uit de verf. Anne Grimm, twee jaar geleden nog Camilla, zong nu de travestierol van Prenesto. Zij weet razendknap voor iedere emotie die Prenesto ondergaat een vocale equivalent te vinden. Wilke te Brummelstroete zingt een keurige Turno, leider van een vijandig volk. Haar stemt mengt prachtig met die van Grimm in het duet in de derde akte. Turno heeft, vermomd als de zwarte slaaf Armidoro, heimelijk een hartstochtelijke verhouding met Lavinia, de dochter van Latino. In de vertolking door Martine Strasser is Lavinia een bekoorlijk, maar opgewonden standje dat in haar vertwijfeling soms de prachtigste aria's weggeeft.

Van de mannelijke solisten onderscheiden zich Giuseppe Naviglio en Bernard Loonen. Naviglio vertolkt met zijn ronde stem fraai de partijen van Linco, de vertrouweling van Camilla. Loonen is in zijn travestierol opnieuw een humoristisch nuffige Tulia, de voedster van Lavinia, die het hier geheel zonder borsten moet stellen.

De instrumentale ondersteuning door het barokorkest La Borea onder leiding van Jos van Veldhoven is alert en gedreven, zij het niet overal onberispelijk in samenklank en articulatie.