Voetballers moeten de overwinning vieren, niet zichzelf

Als een beroemde voetballer vraagt of je met hem mee naar huis gaat, dan doe je dat. Janneke (16) schudt haar rode bos krullen naar achteren. “Je bent wel heel dom als je het niet doet”, zegt ze met een hautaine blik. Met haar zilver gelakte nagels omspant ze het ijzeren gaas van het hek om het trainingsveld van de Arena, waar Ajax-1 oefent. Af en toe steekt ze de lens van haar fototoestelletje door het gaas en schiet.

Sandra (15), lang blond haar en Inge (15), golvend bruin haar en een beugel, fans van Martijn Reuser, zijn ook naar de training gekomen. “Ik kan me voorstellen dat je denkt: gewoon meegaan”, zegt Inge. “Zoiets maak je nooit meer mee.” “Kom op Dani, kom nou hierheen”, roepen Cindy (16), Jolanda (21) en Charissa (13) vanachter het hek. “Ik zie alleen de achterkant”, klaagt Cindy. Ajacied Daniel Cruz da Carvalho is “lief, knap en bescheiden”, zeggen ze met dromerige blikken.

Johan Cruiff, Ruud Krol en Arie Haan waren ook al vedettes, zegt Bob Haarms, al 26 jaar hulptrainer bij Ajax, maar het is nooit zo gek geweest als nu. “Als je ziet hoe wij het trainingsveld op moeten. We worden overrompeld door een meute die handtekeningen wil.” Voetballers hebben de status van popster gekregen. Behalve speler zijn zij een 'gezicht' geworden dat harten verovert en vooral: dat de media, de sponsors, de bonden en de clubs, geld oplevert.

In twintig jaar tijd is voetbal een miljoenenindustrie geworden. Ben Muller, ex-middenvelder bij Ajax, kreeg toen hij in 1958 in het eerste van Ajax begon, vijftig gulden voor een gewonnen wedstrijd en 25 gulden voor gelijkspel. De meeste voetballers deden er iets naast, dreven een sigarenwinkel of een sportzaak. “Ik had een schoenencontract met Quick”, vertelt Muller “dat leverde duizend gulden per jaar op.” Muller had geen zaakwaarnemer. “Het ging toch om de sport. Je stond niet zo stil bij die zakelijke kant.”

De voetbalindustrie die zich door de opkomst van de media en sponsoring in rap tempo ontwikkelde, heeft het leven van spelers ingrijpend beïnvloed. In ruil voor de miljoenen uit sponsorcontracten, zijn zij een beetje eigendom geworden van het publiek. Ook de roddelbladen hebben de voetballers ontdekt: Mariëlle Boon die 'haar verhaal' doet over de nacht met Kluivert en zijn vrienden, Wim Jonk die een kind redt, Dani die ruzie heeft met zijn buren, niets blijft onbesproken.

Ben Muller die in 1970 vertrok bij Ajax en de periode van het grote geld daarmee net miste, zegt dat hij het er graag voor over had gehad “af en toe in een blaadje verschijnen” als je zoveel geld verdient. Maar Rob Jansen, die als spelersmanager van Sport Promotions spelers persoonlijk en zakelijk begeleidt, zegt dat bij alle topvoetballers vroeg of laat de verbittering toeslaat. “Ik zie het gebeuren en ik kan het niet stoppen. Ze ontwikkelen allemaal een min of meer kille blik op de maatschappij.”

Een populaire topspeler die tijdelijk niet meer zo presteert bijvoorbeeld, ziet dat de mensen om hem heen die hem aanvankelijk bejubelden, zich plotseling van hem afkeren. Daar wordt hij cynisch van. “Hun vriendenkring wordt in de loop van de carrière steeds kleiner. Vaak gaan ze vrienden van vroeger die ze uit het oog waren verloren, plotseling weer koesteren.”

Jansen probeert spelers relativeringsvermogen bij te brengen. “Ze moeten inzien dat mensen hen ophemelen, omdat zij hen kunnen gebruiken.” Lange psychologische gesprekken met voetballers hebben niet veel zin, volgens Jansen. Liever nodigt hij een paar oudere spelers uit die nieuwkomers tijdens een etentje over hun ervaringen vertellen.

“Vier de overwinning, niet jezelf”, houdt Hans Westerhof, hoofd van de jeugdopleiding van Ajax, waar kinderen vanaf acht jaar worden klaargestoomd voor een carrière als topvoetballer, de pupillen voor. “Streef ernaar om een voetballer te zijn zoals Romario en een mens zoals Ronald Koeman.” Maar het is moeilijk, zegt hij. “Het vergt heel veel om met die enorme belangstelling van de media, de spanning en het geld om te gaan. Je wordt wel stinkend rijk, maar het is de vraag of je jezelf kunt blijven.”

Een beroepsdeformatie van topvoetballers is dat ze hun prestaties op het veld moeilijk kunnen scheiden van hun verdiensten als persoon, zegt Westerhof. “Ze doen dingen die niet door de beugel kunnen, en denken dat ze het goed kunnen maken door drie goals te scoren.” Maar de invloed van trainers en begeleiders op het karakter van spelers is beperkt, volgens Westerhof. “Je kunt ze niet kneden. Normen en waarden die heb je of die heb je niet. Ik ben geen pastoraal werker die van die jongens betere mensen moet maken. Iedereen leeft zoals hem dat past. Ze moeten zelf hun kop een keer stoten en dan hoop je dat ze er klaar voor zijn.”

Westerhof zou ook niet weten welke morele lessen hij zou moeten geven. “Finidi George is puur voor het geld bij Ajax weggegaan. Van dat geld onderhoudt hij een hele volksstam in Nigeria. Moet ik tegen zo iemand zeggen dat geld niet belangrijk is?” En: “Sport is uitgevonden voor mensen met geldingsdrang. Dan kun je niet zeggen: die geldingsdrang moet eruit.”

Twee dingen zijn niet te begeleiden, zegt Richard Smith, fysiotherapeut en mentaal begeleider van topsporters: snel veel geld verdienen en op je achttiende in een dure snelle auto rijden. “Bij alle jongens die in korte tijd veel geld gingen verdienen, heb ik een gedragsverandering gezien. Ze gaan rare dingen zeggen, willen hun oude vrienden niet meer zien. Daar is niks aan te doen, je kunt alleen maar hopen dat ze weer een evenwicht vinden.”

Auto-ongelukken zijn ook schering en inslag bij jonge topspelers, zegt Smith, zij het dat de meeste niet zo slecht aflopen als de aanrijding die Patrick Kluivert veroorzaakte. De reden is simpel: topspelers kunnen zich te jong, met te weinig rij-ervaring een te snelle auto permitteren.

Voetballers hebben een voorbeeldfunctie, maar dat betekent niet dat het allemaal heilige boontjes moeten zijn, meent Rob Jansen. “Als spelers fouten maken en daarvan leren, kan dat ook als voorbeeld dienen.” Sommige sponsors, zoals Nike, willen juist dat spelers een beetje wild zijn; hun jonge doelgroep voelt zich daartoe aangetrokken. Het publiek moet jonge spelers die misstappen begaan ook niet te snel veroordelen, vindt Jansen. “Je moet ze ook hun jeugd gunnen.” Als een speler zich privé misdraagt, mag dat volgens Jansen niet zonder meer een reden zijn hem niet meer op te stellen. “Wat moet je anders zeggen? Dat zo'n jongen nooit meer mag voetballen?”