Tussen kunst en reclame

The fine art..., vanaf donderdagavond, Ned. 3, 23.25-0.10u.

Het begin is uitgesproken intrigerend: de acteur Dennis Hopper, met donker getinte brillenglazen op zijn hoofd, zit op een bloemetjesbank in een leeg landschap en houdt op dwingende toon een tirade over de zijns inziens vervagende grenzen tussen kunst en reclame. Helemaal duidelijk is het betoog niet; hij werpt vragen op, citeert Duchamps en Picasso en spuwt een schilderij bij elkaar. Maar links achter hem, als een geheimzinnig figuurtje op de achtergrond, zit de Duitse documentarist Hermann Vaske - en hij is degene, aldus Hopper, die het allemaal gaat uitzoeken.

Vaske is de maker van een driedelige serie over 'de invloed van reclame op de wereld om ons heen', die de geestige titel The fine art of separating people from their money draagt en die vanaf komende donderdag op de late avond te zien is bij de VPRO. Als een razende reporter schiet hij heen en weer tussen kunstenaars en reclamemakers, die met een zwaar Duits accent worden ondervraagd over de raakvlakken tussen vrije en gebonden kunst, en over kwesties die daar, eerlijk gezegd, niet veel mee te maken hebben. Een heldere greep heeft Vaske namelijk niet op de materie; hij laat het weliswaar op onderhoudende wijze flitsen en knetteren, maar het onderwerp vliegt alle kanten op en soms is er werkelijk geen touw meer aan vast te knopen.

Toch is het uitgangspunt boeiend genoeg, al was het maar omdat in de loop van de jaren zeventig een opvallend groot aantal regisseurs van reclamefilmpjes overstapte naar de bioscoopfilm: Hugh Hudson, Alan Parker, Tony Scott, Ridley Scott - het hield maar niet op. En min of meer tegelijkertijd waren steeds meer regisseurs bereid reclamefilmpjes te maken. Zo vertelt Tony Scott dat Hollywood hem Top gun liet regisseren nadat de producent zijn Saab-commercial had gezien. Alan Parker biecht op dat hij de trouwscène in The Commitments min of meer heeft nagemaakt voor een spotje voor Murphey-bier. “Je kunt als cineast niet langer volhouden dat de reclame een heel ander terrein is waar je niet je vingers aan wilt branden”, zegt Wim Wenders, die een fleurig filmpje maakte voor een merk ovens. “De tijden zijn veranderd.” Maar na die woorden komt er een spijtig lachje.

Onderweg tovert Vaske nog heel wat verrassingen uit de hoge hoed: een typerend spotje van Fellini voor de Banco di Roma, bijvoorbeeld, en een ietwat gênant reclamefilmpje met Anthony Quinn voor Pizza Hut, pal nadat de grijze acteur stellig heeft verklaard dat hij nooit van z'n leven in een reclamefilmpje zou optreden. Ook vertoont hij een van de meest besproken commercials uit de hele reclamegeschiedenis: een bombastische, op 1984 gebaseerde spot van een minuut, gemaakt door Ridley Scott, die op 22 januari 1984 op alle Amerikaanse netwerken werd uitgezonden om de Macintosh van Apple Computers te annonceren. Beelden uit een koud-blauwe wereld waren het, waarin de door Big Brother gemanipuleerde mensenmassa's danig opkeken van een kleurige fakkeldraagster met het goede nieuws. “Ik doe graag reclame”, beaamt regisseur Jon Amiel. “Je kunt er volledig mee op je bek gaan zonder dat iemand het weet, want je naam staat er nooit bij. En je kunt er heel veel geld mee verdienen.”

Maar dat er geen grenzen tussen de genres meer zijn, zoals Vaske suggereert, is niet waar. Alan Parker heeft gelijk: heel veel andere reclameregisseurs hebben het in Hollywood niet gered. Joe Pytka, die ook aan het woord komt, is reeds geruime tijd de best betaalde en meest gevraagde regisseur van reclamespots. Maar in Hollywood betekent zijn naam nog weinig.

En in Nederland is er maar één die zijn speelfilms al jarenlang afwisselt met reclame: Frans Weisz, die tot op de dag van vandaag onder meer de Jägermeister-filmpjes regisseert. Het gelonk van veel van zijn collega's naar de reclamewereld is tot dusver zonder doorslaggevend succes gebleven.