Spinoza's ban

In haar verslag van het twaalfde Internationale Congres van Joodse Studies (W&O, 23 augustus) vermeldt mevrouw H. Boas onder meer een bijdrage van mevrouw O. Vlessing. Deze betoogde dat de banvloek over B. de Spinoza in 1656 werd uitgesproken op financiële gronden en niet wegens ketterse ideeën. Mevrouw Boas noemt dit een “origineel verhaal”.

Maar de opvatting, dat Spinoza uit de Portugees-Israelitische gemeente werd verbannen om economische motieven is niet nieuw. In een rijkelijk geargumenteerd artikel in Amstelodamum van februari 1933 heeft Sigmund Seeligmann reeds vastgesteld dat de omgang van joden met leden van een door de Inquisitie vervolgde sekte gevaar kon opleveren voor personen die handelsbetrekkingen hadden in Spanje en Portugal. De Firma Bento (Baruch) y Gabriel de Spinoza had omgang met Collegianten, een doopsgezinde sekte. En toen, volgens Seeligmann, de Parnassijns Spinoza van deze omgang niet konden tegenhouden, hebben zij “als regeerders der Gemeente, als beschermers tegen gevaar en bewakers der handelsbelangen, Spinoza 27 Juli 1656 in den ban gedaan, d.w.z.: de eenige vorm van economischen boycot, die hun (...) ter beschikking stond, op hem toegepast. Dit is de uitsluitende beteekenis van dezen ban, die niet wegens heterodoxe denkbeelden is afgekondigd, maar om aan Spinoza (...) het handeldrijven in eigen kring onmogelijk te maken.”

Aldus Seeligmann, 64 jaar geleden. Tóen mocht het met recht 'een origineel verhaal' heten. Onder Spinoza-onderzoekers, die graag romantische legendes omver stoten, is het sindsdien een gangbare opvatting.

    • G. van Suchtelen