Sinaloa, de broedplaats van de Mexicaanse drugsmafia; Echte hanen, superhanen

Zestig doden per maand en hardnekkige aanwijzigingen dat de legertop bij de handel betrokken is. Mexico heeft Colombia afgelost als leider van de wereldhandel in heroïne en cocaïne. Waar de nieuwe kartels ook gevestigd zijn, hun oorsprong ligt in de provincie Sinaloa, het Sicilië van Mexico. 'Adiós Amado Carrillo, je was een uitgekookte haan.'

De familie is er niet'', zegt de bewaker terwijl hij in de drukkende hitte zijn pistool opwrijft. Het geluid van vliegen en blaffende honden. Een hoge, grijze muur met prikkeldraad, en een verzwaarde ijzeren deur onttrekken de boerderij van de familie Carrillo aan het zicht.

Langs de bewaker is nog net een glimp te zien van de marmeren graftombe op het erf. Hier werd vorige maand de grootste drugshandelaar van Latijns Amerika begraven: Amado Carrillo Fuentes, alias 'De Heer van de Hemel'. Een bijnaam die hij ontleende aan zijn 'vondst' om cocaïne met grote passagiersvliegtuigen tegelijk vanuit Colombia te smokkelen.

Bloemen en rouwkransen kwamen uit heel Mexico, uit Colombia en zelfs uit Chili. Tijdens de begrafenis gaf mamma Carrillo de pers de gelegenheid even een kijkje te nemen op de familieboerderij. Haar geliefde zoon - 'een eerlijke boer' - was een week eerder in een kliniek in Mexico-Stad bezweken aan een operatie van plastische chirurgie. Acht uur lang hadden de dokters zijn gezicht opgerekt, uitgebeiteld, en tot een onherkenbaar masker van bloed en blauwe plekken getransformeerd. Bij zijn buik werd nog eens vijftien kilo vet weggezogen. Een paar uur na de operatie legde de drugsbaron het loodje. Althans, zo beweren mamma Carrillo, de Amerikaanse drugsbestrijding (DEA), en - na een week van 'onderzoek' - ook de Mexicaanse justitie.

Sinds het doodsbericht van Amado Carrillo is in Mexico een complete drugsoorlog uitgebroken. In een restaurant in de Noord-Mexicaanse grensstad Juárez schoten twee pistoleros op klaarlichte dag zes gasten dood. De mafiabaas voor wie de kogels bedoeld waren, ontkwam nog net door het wc-raam. In het centrum van Guadalajara werd twee dagen later een voormalige schoonheidskoningin in haar jeep opgeblazen. Ze fungeerde, letterlijk en figuurlijk, als liaison tussen Amado Carrillo en het Mexicaanse leger. In Mexico begint de narcoterreur nu ook het publieke leven te beheersen. Alleen al de afgelopen maand werden meer dan zestig lijken gevonden.

“Mexico staat aan het begin van dezelfde nachtmerrie die Colombia de afgelopen tien jaar heeft verscheurd”, stelde het hoofd van de Colombiaanse politie José Serrano vorige week dan ook. De baas van de Colombiaanse drugsbestrijding waarschuwde dat “de Mexicanen in het gat van het ontmantelde Cali-kartel zijn gesprongen.” Niet de Colombianen, zei Serrano, maar de Mexicanen leiden nu de wereldwijde cocaïne- en heroïnehandel.

Hiermee werd voor het eerst bevestigd waar de DEA twee jaar geleden in haar jaarrapport al voor waarschuwde: 'De Mexicaanse kartels dreigen het van de Colombianen over te nemen.' De recente arrestatie in Colombia van vrijwel de hele top van het machtige Cali-kartel lijkt het laatste duwtje te hebben gegeven.

De Amerikaanse 'war on drugs' heeft zich de afgelopen maanden op Mexico toegespitst. Maar omdat de handelsbelangen van de VS in het buurland tientallen malen groter zijn dan in het verre Colombia, is de Amerikaanse druk op Mexico 'diplomatieker' en minder opzichtig dan die in Colombia is geweest. Dat neemt niet weg dat Mexico nu het nieuwe brandpunt van Amerikaanse drugsbestrijding is. Vrijwel elke maand reist het hoofd van de DEA, of de Amerikaanse anti-drugs-'tsaar' Barry Mc Caffrey naar Mexico. En het Congres neemt motie na motie aan om de Mexicaanse autoriteiten nog verder onder druk te zetten. 'De Mexicaanse kartels zijn alle anderen de baas als het gaat om technische geavanceerdheid en capaciteit om internationaal te opereren', stelde het hoofd van de DEA onlangs bij een hoorzitting voor de Senaat. Waar komt deze 'geavanceerde' Mexicaanse drugsmafia ineens vandaan? En, wat maakt haar zo machtig?

Altaar

Een plaatselijke miss-verkiezing, de dalende maïsprijs, en een dreigende cycloon beheersen de voorpagina van het plaatselijke dagblad El Debate. Verder is het rustig en warm in deze subtropische deelstaat aan de Stille Oceaan. Door de straten van de hoofdstad Culiacán rijden pick-up-trucks bestuurd door mannen met witte cowboyhoeden. “Een echte wereldstad”, grapt de econoom Tomás Sausedo, terwijl hij de air-conditioner van zijn eigen pick-up op maximum draait.

Met een vrolijke zwaai parkeert hij het gevaarte voor een vervallen gebouwtje met een golfplaten dak. Binnen heerst een gewijde stilte. “Oh Jesús Malverde, mijn Heer. Verleen mij deze gunst, opdat mijn hart vol vreugde zal zijn”, prevelt een man met cowboylaarzen aan. Geknield ligt hij voor de gipsen buste van een man met een grote, zwarte snor. De man staat op, steekt een kaars aan en doopt zijn hand in een plastic wijwaterbakje dat naast de buste op het altaar staat. “Oh Malverde, geef me je wonder!”, roept hij nu luid. In tranen zoent hij het voorhoofd van het beeld, trekt zijn overhemd recht, en loopt met wijde benen de kapel weer uit. “Dit is de Heilige van de drugshandelaars”, fluistert Suasedo. “Alle narco's komen hier hun bescherming afsmeken.” Hij wijst op de marmeren dankstenen die overal tussen de witte wc-tegels van de kapel zijn ingemetseld. 'Dank Malverde voor verleende gunsten', staat er vlak boven de kop van het Mariabeeld. Ondertekend: 'fam. Carillo Fuentes'. Ook de 'Heer van de Hemel' - leider van het oppermachtige Juárez-kartel - heeft zich laten bijzetten in deze kapel van mythe en bijgeloof.

Even verderop, boven een vaas verlepte bloemen, prijkt de steen van de andere grote narcofamilie Caro Quintero (Mexicali-kartel). Als je goed kijkt zijn ze er allemaal. Daar, boven de vergeelde foto van een man met een lasso, zijn de stenen gemetseld van de gebroeders Félix Gallardo, en van Don 'Neto' Fonseca. Respectievelijk de leiders van het Tijuana-kartel, en de moordenaar van een DEA-agent (Nogales-kartel).

De kartels hebben de namen van de grote steden, net onder de grens met de Verenigde Staten. Van daaruit wordt de hele drugshandel in Mexico geregeld. Maar of ze nu de baas zijn van het Tijuana, Juárez, of Mexicali, alle kartelbazen komen uit deze arme deelstaat die niet aan de Verenigde Staten grenst. “Sinaloa is het Sicilië van Mexico”, zegt Sausedo. “De bakermat en de thuisbasis van de Mexicaanse narco's.” En, zoals je de Italiaanse mafia niet kunt begrijpen zonder Sicilië, zo valt ook de Mexicaanse narco-handel niet te begrijpen zonder de cultuur en traditie van Sinaloa.

Hele families drommen de kapel van Malverde binnen om een 'wonder' te vragen aan hun bandiet. Een meisje bidt om een man; een man voor haar koeien. “Bandiet ja”, knikt de vrouw die hier al vijfentwintig jaar amuletten verkoopt, en kaarten met de kop van Malverde erop. “Hij stal van de rijken en gaf aan de armen. Jesús Malverde was een goeie bandiet. Iedereen in Sinaloa gelooft in hem.”

Ze dribbelt naar het altaar om wat koopwaar voor klanten te zegenen. Dan breekt er onder het golfplaat een daverende serenade los. Zeven mannen met gitaren, trommels en een trekharmonica begeleiden de smeekbede van een oude boer. 'Oh geliefd Sinaloa, hoeveel helden heb je niet voortgebracht', zingt de band in cowboystijl: 'De mannen van het witte poeder en van het goede gras. Liever de dood zien zij onder ogen, dan te leven als een gewas.' Een dreigende roffel, en daar gaan ze weer: 'Jesús Malverde was de vader van allen. Bandiet en voor niemand bevreesd. In 1909 werd hij voor zijn daden verhangen. Door het verraad van een vriend is het geweest.'

Coca zonder Cola

'Witte poeder'? 'Goed gras'? Wordt daar dan zomaar openlijk over gezongen, vraag ik professor Luís Astorga. Hij is een gerespecteerd narcodeskundige aan de universiteit van Mexico, en zelf ook uit Sinaloa afkomstig. Astorga lacht en haalt een paar cassettes uit zijn zak. Het zijn bandjes met zogeheten corridas, traditionele ballades uit Sinaloa. De titel van het ene lied is nog verrassender dan die van het andere: 'De wet van de smokkelaar', 'pistoleros van Sinaloa', 'Zoons van de mafia', of 'Witte poeder, mijn geluk'. De liederen verhalen stuk voor stuk over de heldendaden en de wederwaardigheden van de Mexicaanse drugsmafia. “Officieel zijn deze bandjes verboden”, vertelt Astorga. Maar in Sinaloa worden ze overal gewoon verkocht. Sommige corridas zijn zelfs zo beroemd dat ze een hit worden in heel Mexico. Van het nummer 'De Pijnbomen geven me schaduw, en op mijn ranch groeit coca zonder cola', werden vorig jaar meer dan twee miljoen exemplaren verkocht. Het lied gaat over de intieme verhouding tussen de president van Mexico - wiens ambstwoning 'De Pijnbomen' heet - en Amado Carrillo. 'El gran señor' heet de drugsbaas in het lied, 'man van eer'.

“In tegenstelling tot Colombia of Sicilië, maakt in Sinaloa de drugshandel al bijna een eeuw lang onderdeel van het gewone leven uit”, zegt Astorga. De handel begon in 1914, toen in de VS de teelt van opium verboden werd. Chinese immigranten trokken naar Sinaloa. De bergen, gecombineerd met het hete klimaat van Sinaloa waren ideaal voor de teelt van papaver. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, hadden de Amerikanen plotseling grote hoeveelheden morfine nodig om hun gewonde soldaten te verzorgen. Stilzwijgend werd Sinaloa de grote opiumleverancier van de Amerikaanse farmaceutische industrie. Volgens Astorga ligt hier de oorsprong van het feit dat de teelt en de smokkel van heroïne - en later ook van marihuana - door de bevolking in Sinaloa nooit als iets 'slechts' is beschouwd. “Het was gewoon handel in een landbouwproduct dat meer opleverde dan bonen of maïs.” Gebruiken doen de mensen het zelf niet - 'wij drinken bier'.

Daarbij komt de manier waarop de Mexicaanse autoriteiten in Sinaloa met de handel omsprongen. Uit 'staatspolitieke' overwegingen was zowel het leger als de politiek van het begin af aan bij de handel betrokken geweest. Astorga vertelt hoe een generaal uit de Mexicaanse Revolutie (1910-1917) in de jaren twintig gouverneur van Sinaloa werd. Wilde je opium smokkelen? Dan ging je voor vijfenveertigduizend dollar een 'concessie' bij de gouverneur halen. Daarbovenop betaalde de smokkelaar dan nog eens tienduizend dollar 'beschermgeld' per maand. “In tegenstelling tot Colombia - waar de drugsmafia als autonoom fenomeen ontstond, en pas daarná de politiek en het leger corrumpeerde - is in Mexico de drugshandel vanuit de politiek zelf geboren”, stelt Astorga. Mexico zelf kent geen traditie van drugsgebruik. Ook nu nog bestaat er geen verslavingsprobleem. “Wat maakt het uit als die gringo's zich willen platspuiten of -roken, in ruil voor harde dollars?”

Tot ver na de Tweede Wereldoorlog beheerste het leger de Mexicaanse politiek. Uitsluitend kolonels en generaals werden president, gouverneur, of procureur van justitie. “Men doet nu verbaasd over de betrokkenheid van het leger bij de drugshandel”, zegt Astorga, doelend op de commotie die onlangs losbrak toen 82 hoge Mexicaanse militairen 'lid' bleken te zijn van de drugskartels. Volgens Astorga is drugshandel door het leger in Mexico niet meer dan een 'historische continuïteit'.

Emmers bier

Cowboyhoed, zijden overhemd, en gouden tanden met diamantjes erin. Dat is de standaarduitrusting vanavond. In glimmende pick-up-trucks komen de mannen naar het feest in de hoofdstad. Ze drinken bier. Niet uit flesjes, maar uit emmers. “Gallos, hanen”, zegt Sausedo trots. “De mannen uit Sinaloa zijn echte hanen.” Het kenmerk van een echte haan? “Die neemt niet alleen een vrouw van voren, maar prikt er tevens van achter een op zijn staart”, buldert Sausedo.

Tussen stampende Texmex-muziek en rodeovideo's vertelt Sausedo over het dorp waar hij vandaan komt. “Het ging er altijd om de meest flitsende te zijn.” De mooiste hoed, de beste laarzen, het meest opzichtige tuig voor je paard - en natuurlijk een revolver. Liefst met edelstenen ingelegd. Goud, om je pols, en in je mond. Alleen daarmee kreeg je vrouwen van het dorp.

“Voor de meesten was er maar één manier om een 'echte haan' te worden: gaan werken in de VS. “Ze gingen naar Chicago of naar Los Angeles. Lullige baantjes in fabrieken of restaurants. Een paar jaar werkten ze zich kapot. Maar dan kwamen ze terug. Al waren ze zo lelijk als de nacht: de moeders kwamen zelf hun dochters aanbieden.”

Volgens Sausedo zijn de eerste contacten met de Colombianen dan ook in Amerika gelegd. Amado Carrillo of Caro Quintero? Ook zij gingen werken in de VS. Hij kent veel van de huidige drugsbazen nog van school. “Krijg ik jaren later op een keer een lift van ze in zo'n grote Cadillac. Blijkt opeens de hele politie achter je aan te zitten”, vertelt hij bulderend van de lach. De stap van de smokkel van in Sinaloa gekweekte papaver en marihuana in de jaren zeventig, naar cocaïne uit Colombia en Peru eind jaren tachtig, is volgens hem niet meer dan een kwestie van 'uitbreiding' geweest. De nieuwe narcobazen zijn voor Sausedo niet meer dan 'super-gallos'. Aanbeden door de vrouwen, en geëerd door de mannen. Ze geven rondjes, en hebben de mooiste kleren. “Dat is waar het bij ons om gaat.”

Plotseling raken op het feest een paar 'hanen' met elkaar in gevecht. Volgens de barman gaat het om een vrouw. “Altijd hetzelfde”, verzucht hij terwijl hij aan zijn wapen voelt. “Ze presenteren hun vrouwen als een scharrel. Maar als er dan een andere man naar kijkt, is het raak.” Vlokken bier spatten door de ruimte en er klinkt geschreeuw. Wanneer ook de barkrukken beginnen te vliegen, besluiten we nog een rondje te maken door Culiacán.

Bij supermarkt 'De Wet' slaan we de hoek om. Een geur van rot slaat ons tegemoet. Daar, in het donker tegen de pick-up trucks, staan tientallen mannen te wachten. Ze hebben slangenleren laarzen en strakke spijkerbroeken aan. Je kunt ze huren en meenemen naar huis. Ze doen één nummertje, twee of zelfs tien. Dertig pesos (acht gulden) per nummer. Boven de vier krijg je reductie. Ik besluit er vijf te nemen. En we doen het gewoon op straat. Na wat gekuch begint mijn groepje te spelen. Routinematig en ook wat verveeld. “Sinaloa is triest, zo triest”, zingt de gitarist. “De straten van Mexico zijn bezaaid met lijken. Hoeveel van onze hanen zijn dood. Anderen moeten zich verstoppen. Omdat de gringo het zo wil.” Pling plong, doet de contrabas. En dan: “Sinaloa is triest, zo triest. Want zijn hanen zijn er niet meer. Je hoort niet meer het gieren van hun auto's. Niet meer het trotse geluid van metaal op metaal. Zelfs het snerpen van de mitrailleurs is verdwenen. Hun huizen als paleizen staan er verlaten bij.”

Tomás Sausedo heft een groot applaus aan, midden in de verlaten straat. “Je hoort het”, zegt hij grinnikend. “We geven het niet op.”

De volgende dag bezoeken we het 'paleis' van de 'haan der hanen', Amado Carrillo. Kloppen aan de poort van de rancho levert weinig op. 'Amado Carrillo is niet dood', had iedereen in Sinaloa gezegd. Zijn zogenaamde dood door plastische chirurgie is niet meer dan 'een goeie mafia-truc', denken de mensen hier. Het leek een goed idee het zijn moeder te vragen. Maar de bewakers blijken niet bepaald toeschietelijk.

Op nog geen vierhonderd meter van de rancho ligt echter het dorp Guamucilíto. Of nu ja 'dorp'. Niet meer dan een verzameling houten hutten. Golfplaten daken onder de brandende zon. Geen afvoer, geen bestrating, geen stromend water. Het enige stenen gebouw is de kerk. Een betonnen monster, hermetisch gesloten door een hek met prikkeldraad: een cadeautje van Amado Carrillo aan zijn dorpsgenoten. Gebouwd ter gelegenheid van het huwelijk van zijn zuster met een andere drugsbaas uit de streek.

Toen de politie vorig jaar de bruiloft bestormde, bleek de vogel al gevlogen. “Amado Carrillo werd per zaktelefoon getipt door generaal Gutierrez Rebollo, het toenmalige hoofd van de Mexicaanse drugsbestrijding”, meldde het onafhankelijke weekblad Proceso vorige week. Zoals het ook via geheime militaire documenten wist te onthullen dat Amado Carrillo even later de Mexicaanse regering een bijzonder voorstel deed: aflossing van de staatsschuld in ruil voor vrijheid van handelen, en een nieuwe identiteit.

Op een paar boomstammen zitten de mannen van het dorp. Zwetende bovenlijven tussen de kippen. Maar al snel wordt duidelijk: een praatje zit er hier niet in. En na een half uur verschijnen de eerste glimmende pick-ups uit de ranch. Dreigend toeren ze door dit dorp van muilezels en magere paarden. “Ik weet niks, ik ken helemaal niemand”, zegt een jongen, die na een uur toch nog zo vriendelijk is een flesje fris aan de buitenstaander te verkopen. “U kunt beter verdwijnen.”

“Angst”, zegt de man van het openbaar ministerie met wie ik later in Culiacán spreek. Zelf is hij verschillende keren bedreigd. Vorig jaar moest hij maandenlang onderduiken. Dus: geen naam in de krant, ook niet in Nederland. “Er zijn al te veel doden gevallen.” Zo'n uitstapje naar Guamucilíto is niet verstandig, zegt hij. Ook al hebben de arme boeren van het dorp geen enkele baat bij hun fortuinlijke dorpsgenoot. Ze zullen zich onder alle omstandigheden aan de maffiose zwijgplicht houden. “Hoever de huidige narco's ook afstaan van het Robin-Hoodimage van Jesús Malverde. Onder de bevolking van Sinaloa blijft er een mengeling van angst en bewondering”, zegt de functionaris van justitie.

Nog geen kwartier later klinkt uit de luidsprekers van de kroeg waar we hebben afgesproken de nieuwste verboden corrida: 'Amado Carrillo is dood. Dat zegt de pers tenminste. Adiós Amado Carrillo dan maar. Dat je lichaam in vrede mag rusten. Je was een uitgekookte haan. Degene die je troon wil overnemen, zal er hard voor moeten werken.'