Ook de markt zorgt voor cultuur; Mr. drs. Atzo Nicolaï is lid van de VVD. Hij is algemeen secretaris van de Raad voor Cultuur.

Op de opiniepagina van 9 augustus riepen Piet Zelissen en Hans van Dulken, namens de PvdA-groep 'De Mei', de PvdA op om cultuurbeleid een prominentere plaats te geven en alleen kwalitatieve maatstaven aan te leggen. Dat laatste is interessanter dan het eerste. In de Nederlandse traditie van terloopse, zo niet besmuikte omgang met cultuurpolitiek - en wat erger is: ook met cultuur - springt de PvdA er vergeleken met de andere politieke partijen niet slecht uit voor wat betreft de hoeveelheid aandacht voor cultuurbeleid.

Bij de PvdA is het punt niet hoeveel waarde wordt gehecht aan cultuurpolitiek, maar welke waarde.

De PvdA beklemtoont altijd het belang van cultuurbeleid voor gewenste maatschappelijke ontwikkelingen. Zij pleitte achtereenvolgens voor 'volksverheffing', 'maatschappelijke relevantie', 'welzijn' en 'participatie'. Zelissen en Van Dulken zien zeker het belang van de emanciperende en educatieve rol van cultuur, maar kiezen voor het vooropstellen van kwaliteit, voor een zoals zij het noemen 'elitaire' benadering.

Daarmee nemen zij - zonder dat te zeggen - enige afstand van het traditionele sociaal-democratische denken en komen zij dicht in de buurt van liberale cultuurpolitiek. Daarin wordt cultuur niet opgevat als middel tot maatschappelijke veranderingen, maar als een opzichzelf staand doel, waarbij de kwaliteit en de vrijheid van de cultuur en van de kunstenaar voorop staan. Ook formulering dat cultuurbeleid ruimte moet bieden om alternatieven te ontwikkelen zodat de keuzemogelijkheden voor de burger worden verbeterd, strookt geheel met liberale omschrijvingen.

In hun pleidooi voor kwaliteit schieten Zelissen en Van Dulken echter door. Zij baseren hun 'elitaire' benadering op vrees voor Vermärktung van de samenleving en suggereren een tegenstelling tussen cultuur en markt, die al te makkelijk en karikaturaal is. De markt zou alleen geïnteresseerd zijn in'kwantiteit', 'harde cijfers' en 'efficiency' en wordt bovendien op één hoop gegooid met een ander onheil: 'technocratische tendentie'. Alsof de markt niet voor kwaliteit kan zorgen. Alsof er iets mis is met de boeken van Mulisch en Möring, de films van Woody Allen en Robert Altman, The Phantom of the Opera, door bewoners onderhouden rijksmonumenten, het Tilburgse museum De Pont, de Nederlandse grafische vormgeving, de gebouwen van Koolhaas, de schilderijen van Armando en de optredens van Youp van 't Hek, David Byrne en The Prodigy, om enkele voorbeelden te noemen die door de markt worden gedragen.

Waar het om gaat is dat er daarnaast nog zo veel essentiële dingen zijn die de markt niet kan dragen en die overheidssteun nodig hebben. Van werkbeurzen voor kunstenaars tot symfonieorkesten, van molens tot musea, van bibliotheken tot Nederlandse speelfilms en van mimegroepen tot opera. Die steun wordt gegeven, omdat iets waardevol is en zichzelf niet kan bedruipen, niet omdat het zwak is, zoals Zelissen en Van Dulken suggereren. Zij vinden dat juist de PvdA zich voor cultuur moet inzetten, omdat die opkomt voor het zwakkere en halen de te vaak geciteerde regel van Lucebert aan: 'Alles vanwaarde is weerloos'. Zij roepen daarmee het romantische beeld op van de arme, miskende kunstenaar die op zijn lekke zolderkamer zit te schilderen.

Cultuurbeleid reikt verder. Er moet geen prioriteit worden gelegd bij wat zwak is, maar bij wat goed is. Lucebert schreef niet: 'Alles dat weerloos is is van waarde'. Cultuur is vaak sterk genoeg om ook onder moeilijke omstandigheden niet te verdwijnen, maar om goed te gedijen is steun nodig.

Zelissen en Van Dulken schieten in hun 'elitaire' benadering ook door met hun voorstel om rijkskeurmeesters aan te stellen die verantwoordelijk zijn voor desubsidieverdeling, in plaats van het huidige systeem waarin een bewindspersoon besluiten neemt op grond van inhoudelijk adviezen van de Raad voor Cultuur.

Stel je voor wat de gevolgen zouden zijn als één persoon jarenlang een monopoliepositie had, bijvoorbeeld voor wat betreft de verdeling van de subsidies voor de podiumkunsten, voor de diversiteit en de ruimte voor autonome ontwikkelingen in de cultuur. En wat zouden de gevolgen zijn als een nieuwe kunstpaus aantreedt die ook graag zijn eigen stempel drukt op zaken die onder zijn voorganger net zijn opgebouwd. Het is een beetje de roep om de sterke man. De beoogde duidelijkheid die erdoor zou ontstaan, is een schijnduidelijkheid.

De podiumkunstkeurmeester kan nooit genoeg weten van de ontwikkelingen in het jeugdtheater, de jazz, het ballet en alle andere deelterreinen en van de paar honderd gezelschappen die actief zijn, en zal zich dus moeten baseren op adviezen van andere deskundigen. Dan ontstaat toch weer zoiets als het huidige systeem, maar met meer grijze circuits. Nu is duidelijk wiede adviezen hebben opgesteld, de adviezen zijn openbaar en de Raad voor Cultuur trekt letterlijk en figuurlijk het land in om zich te kunnen laten aanspreken op zijn keuzes, hetgeen veelvuldig gebeurt.

Belangrijk is, wat Zelisssen en Van Dulken ook beklemtonen, dat cultuurpolitiek breed moet worden opgevat. Het gaat ook om onderwijs,informatie en ruimtelijk ordening. Wellicht als gevolg van de 'elitaire'invalshoek is hun artikel (evenals het eerder door 'De Mei' uitgebrachte pamflet) echter vooral gericht op kunst en de kritische functie daarvan.

Terwijl de kwestie of iets mooi is of ontroerend, niet minder belangrijk is. En goed behoud van monumenten, musea en archieven is niet minder belangrijk dan kunstbeleid. En niet te vergeten het mediabeleid, dat is politiek gezien zelfs het belangrijkste deel van cultuurbeleid.

Het artikel schiet hier en daar door en de teneur is wat somber. Zelissen en Van Dulken zien de mens met het wegvallen van religie en ideologie houvast zoeken in harde cijfers en ze zien blijkbaar niet dat steeds meer houvast wordt gezocht in de cultuur. Hopelijk neemt de PvdA de strekking ervan echter ter harte.