Laat je kind studeren

Maar welke studie? Aanbevolen: rechten, economie en management, medicijnen, een technische richting, informatica of wiskunde en statistiek. Al die studierichtingen hebben iets gemeenschappelijks: ze trainen studenten in het oplossen van problemen. Het is mooi wanneer jonge mensen een studierichting kiezen die hen leert hoe je een probleem systematisch aanpakt en oplost. Rechten, economie, informatica en techniek - stuk voor stuk vakken die een rijkdom bieden aan positieve kennis.

Daarnaast zijn er natuurlijk normatieve inzichten. Dertig jaar geleden waren er heel veel studenten die al zeker wisten dat het kapitalisme een verrot systeem was. Door een studie politicologie, sociologie of marxistische economie hoopten ze nog preciezer te leren hoé slecht de multinationals wel waren. Maar ook vandaag heeft ieder van ons ideeën over goed en kwaad en vooral ook over wat hij of zij graag zou zien gebeuren. Wij hebben geen aansporing nodig om allerlei normatieve noties te koesteren, maar afgezien van een paar filosofen die kunnen helpen om goed en kwaad preciezer te definiëren, moet de overgrote meerderheid van ons zich toch bekwamen in het positief oplossen van technische, bedrijfskundige, medische of andere puzzels.

Maar hoe dan met vakken als sociologie of geschiedenis? De arbeidsmarkt spreekt een hard oordeel uit. De werkloosheid onder afgestudeerden is vier tot vijf maal hoger dan voor bedrijfskunde of de meeste technische richtingen. “Kunsthistorici en archeologen hebben niet alleen weinig kans op een baan, maar ze verdienen ook het laagste maandinkomen van iedereen”, aldus onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam eerder dit jaar in Elsevier. Toch is geschiedenis een prachtig vak. Deze zomer las ik in de zon vóór de tent 'Europe' van Norman Davies: voor niemand doe ik onder in mijn respect voor de kunst van de geschiedschrijving.

Maar intussen moeten onze universiteiten en hogescholen wèl mensen opleiden die de puzzels van vandaag en morgen kunnen aanpakken. Er is een voor de handliggend compromis, maar dat komt pas binnen bereik als de centrale planner J. Ritzen vertrekt bij het ministerie van Onderwijs. Met wat meer vrijheid zouden universiteiten en hogescholen namelijk heel goed in staat zijn om combinaties aan te bieden met bijvoorbeeld een 'major' in een probleemoplossende discipline en een 'minor' in een culturele studie. Of andersom voor wie dat wil.

Het is echt niet nodig om vier lang fulltime college te lopen in de bedrijfseconomie voor inzicht in de wonderen van de dubbele boekhouding. Dat kan heel goed naast of na een studie in een ander vak. Aan Harvard in Boston is het combineren van een 'major' en een 'minor' de gewoonste zaak van de wereld. Maar die universiteit benoemt dan ook haar eigen bestuur en beheert haar eigen geld. Er is geen minister van Onderwijs in Washington die de bestuurders aanstelt en iedere nieuwe studierichting wil goedkeuren. Hier in Nederland heeft de Rijksuniversiteit Leiden nog eens honderd jaar meer ervaring dan Harvard, maar staat toch nog steeds onder bureaucratische controle van een minister die het volledige bestuur benoemt en alle programma's wil goedkeuren.

Wie in Nederland een culturele 'major'-richting wil combineren met een probleemoplossende 'minor'-studie moet naar twee verschillende instellingen. Eerst een culturele studie in Leiden of Groningen; daarna een bedrijfskundige opleiding in Nijenrode of Rotterdam. Onze ervaring op Nijenrode is, dat óók studenten met een culturele (alfa) vooropleiding na hun in zestien maanden behaalde extra doctoraal in de bedrijfskunde hartelijk welkom zijn om problemen te helpen oplossen in het bedrijfsleven. Voor een paar honderd geselecteerde studenten is zo'n combinatie van twee studies dus een gelukkige oplossing, maar waarom zouden andere studenten niet de vrijheid krijgen om aan hun eerste universiteit willekeurig welke hoofdrichting alvast te combineren met althans een paar probleemoplossende vakken?

Het antwoord begint met een R: de enige minister in het paarse kabinet aan wie termen als marktwerking en deregulering volkomen zijn voorbijgegaan. Intussen kan toch iedereen zien hoe vreemd het is om universiteiten die soms al meer dan vierhonderd jaar bestaan nog steeds te onderwerpen aan gedetailleerde bureaucratische planning. Op dit specifieke terrein van de studieduur kan brokkenpiloot Ritzen maar beter snel uit de lucht worden gehaald.

Op 13 augustus 1994 wist het nieuwe kabinet nog zeker dat alle studies aan universiteit en hogeschool zouden worden samengevat tot drie jaar. Dat ondoordachte plan is gelukkig een snelle dood gestorven, één van de twee afspraken uit het regeerakkoord van het kabinet-Kok waarvan gelukkig helemaal niets is terechtgekomen (de andere dode letter uit het regeerakkoord was de afspraak om de medische uitgaven met slechts 1,3 procent per jaar te laten groeien. Als dat echt was gebeurd, zouden nu de wachtlijsten in de zorg nog veel langer zijn).

De studieduur bleef dus gewoon vier jaar, en gelukkig zag het kabinet later kans om een andere fout met betrekking tot de studieduur te repareren. In de bèta-studierichtingen was namelijk na 1993 plotseling het aantal studenten scherp afgenomen. Opeens had 15 procent minder studenten interesse in een exacte studie, en dat moet een gevolg zijn geweest van de invoering van de prestatiebeurs die studenten opzadelt met grote risico's wanneer hun studie niet op tijd klaar komt. Leuk voor de schaarse ouderejaars informatici die gratis vliegreizen krijgen aangeboden als ze maar interesse tonen in een automatiseringsfirma; slecht voor de toekomst van Nederland als kennisland. Nu is gelukkig de studiefinanciering voor de technische richtingen uitgebreid met een vijfde jaar, en dat haalt een deel van de risico's weg.

Dat zijn de twee recente voorbeelden op het terrein van de studieduur van centrale regelzucht. Maar, “symptomen van sovjetisering zijn overal”, zoals een historicus uit Oxford het mooi uitdrukte in een recente noodkreet over het hoger onderwijs in Engeland. Hoe meer centrale bureaucratie, des te minder vrijheid en concurrentie en dus is de uitkomst hetzelfde als onder het sovjetsysteem: wat de onderwijsfabrieken produceren en hoe efficiënt ze dat doen, hangt te veel af van de belangen van ambtenaren, managers en personeel, en veel te weinig van wat studenten en hun latere werkgevers echt nodig hebben.

Dat Ritzen per universiteit of hogeschool ieder studieprogramma apart wil goedkeuren, is onwerkbaar. Laat in de praktijk maar blijken of Leiden, Groningen en andere universiteiten en hogescholen aan hun opleidingen een bedrijfskundige of statistische 'minor' willen toevoegen. Studenten die een kompleet tweede doctoraal willen kunnen nog steeds naar Breukelen of Rotterdam; anderen volgen dan naast hun studie sociologie of Spaans een aantal extra vakken die hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten.

Het kan makkelijk: onderzoek uit 1995 liet zien dat studenten in letteren, geschiedenis en sociale wetenschappen nog geen 30 uur per week studeren. Dat laat ruimte voor boekhouden, marketing of statistiek. Op Harvard hebben studenten vanzelfsprekend die vrijheid; hier in Nederland hangt dat af van goedkeuring door een minister die alles het beste meent te weten.