KLITTENDE BONDEN; Christelijke onderwijsbond is hardnekkig in de contramine

Een verbond, geen fusie, zijn de protestantse en katholieke onderwijsbonden aangegaan. De kloof met de 'openbaren' is nog altijd groot.

AAN DE BOERHAAVELAAN, bij station Zoetermeer, staat een reusachtig gebouw met daarop acht grote letters: AbvoKabo. Slechts één bordje bij de deur verraadt een nieuwe bewoner van het kantorencomplex: de Onderwijsbonden CNV. “We zitten helaas nog in de schaduw van de AbvoKabo”, zegt voorzitter C. van Overbeek, voormalig voorzitter van de Katholieke Onderwijs Vakorganisatie (KOV). “We krijgen eigen letters hoor”, vult bestuurder J. Duijnhouwer aan, oud-bestuurder van de Protestants Christelijke Onderwijsvakorganisatie (PCO).

De aanleiding voor het verbond (geen fusie!) tussen de katholieke en protestantse lerarenbonden, begin dit jaar, was eenvoudig. De voormalige vijanden werkten op lokaal niveau al samen en wilden dat landelijk voortzetten om sterker te staan. De nieuwe concurrent, de Algemene Onderwijs Bond (AOB) die kort daarna uit een fusie zou ontstaan, zou met 74.000 leden nogal machtig worden. Het verbond 'Onderwijsbonden CNV' telt nu 57.000 leden. De katholieken leverden, met 38.000 leden, de voorzitter. De protestanten droegen, met 19.000 leden, een vice-voorzitter voor. Naast het gevecht met de minister en staatssecretaris van onderwijs (Jo Ritzen en Tineke Netelenbos) en de bijzondere schoolbesturen, kunnen ze nu ook samen de strijd met de 'openbaren' aan.

De Onderwijsbonden CNV voeren nog steeds een twee-frontenoorlog. Doorgaans strijden ze tegen de schoolbesturen voor de arbeidsomstandigheden van leraren en ander school-personeel. Maar zodra artikel 23 van de grondwet ter sprake komt - dat de vrijheid van onderwijs garandeert - staan ze náást de bijzondere schoolbesturen op de barricade. En dat artikel is volgens de onderwijsbond vaak aan de orde. Van levensbeschouwelijke richting veranderen ('van kleur verschieten'), richtlijnen rond ongewenste intimiteiten op school, lokaal onderwijsbeleid - zo'n beetje elk ministerieel initiatief lijkt te stuiten op grondwettelijke bezwaren van de Onderwijsbond CNV.

Zo worden ze in de Boerhaavelaan op slag strijdlustig als de kerndoelen ter sprake komen, die wettelijk bepalen wat 12-jarigen moeten kennen en kunnen. Vakbondsbestuurder Duijnhouwer: “De overheid mag wel voorschrijven welke lesstof scholen behandelen. Wij hechten evenveel waarde aan vakken als lezen en rekenen als de openbare scholen. Maar lesgeven is meer dan een kwestie van kennisoverdracht, meer dan een leerdoel bereiken. Het gaat ook om de manier waaróp je lesgeeft, de weg waarlangs je het doel bereikt.”

In zijn Utrechtse kantoor schudt J. Tichelaar, de voorzitter van de AOB, het hoofd. “Ik zou die houding begrijpen als Paars willens en wetens de vrijheid van onderwijs de nek omdraaide. Maar zo is het niet”, verzucht hij. Behalve dat de AOB de rechten van het openbaar onderwijs zelden hoeft te verdedigen, is er één ander essentieel verschil tussen zijn bond en de Onderwijsbonden CNV, vindt Tichelaar. Hij onderdrukt een glimlach: “Wij verschillen vooral in de manier waaróp wij ons doel bereiken als we onderhandelen met het ministerie. De Onderwijsbonden CNV reageren nog altijd met 'Nee! Tenzij' Wij zeggen tegenwoordig: 'Ja! Mits'.” Hij is een moderne vakbondsman, die meedenkt met werkgevers. “De samenleving verandert, dus wij moeten mee. We bedenken personeelsbeleid bijvoorbeeld, iets dat nooit heeft bestaan op scholen.” Zijn bond wil voortaan ook een soort cafetaria zijn. Op elke persoonlijke vraag van leden moet antwoord zijn. Of ze nou sollicitatie-trainingen willen, minder arbeidsuren, cursussen of een hoger salaris.

Tichelaar is afkomstig uit de ABOP. De cultuur-omslag bij de toenmalige ABOP (die nu met het veel kleinere NGL is gefuseerd tot AOB) naar 'Ja! Mits', kwam zeven jaar geleden, na vijftien magere jaren. Er was jarenlang bezuinigd op het onderwijs, door fusies tussen scholen was er steeds minder werk en het imago van leraren was eind jaren tachtig slechter dan ooit. Ze zeurden te veel over het salaris en dachten te weinig aan het onderwijs, zo was de heersende opvatting. “Wij werden allemaal als zeikerds afgeschilderd, die ook nog eens zes weken zomervakantie hadden”, zegt Tichelaar. In 1990 wijzigde de ABOP zijn koers: voortaan zou de bond zich positief opstellen en alternatieven bedenken voor problemen. Ze liet de verdediging achter zich en koos voor de aanval. Inmiddels staat het onderwijs hoog op de prioriteitenlijst van elke grote politieke partij en wordt algemeen erkend dat de samenleving niet zonder goed opgeleide jongeren kan. En dat daarvoor goede, gemotiveerde leraren nodig zijn.

Daar zit zowel het probleem als de gelijkenis tussen de AOB en de Onderwijsbonden CNV. Beide bonden vertellen over gedemotiveerde leraren, die murw zijn van alle vernieuwingen, die onder grote werkdruk staan en die bovendien vinden dat ze worden onderbetaald. “Nu gaat er een miljard gulden naar de invoering van computers. Als het straks economisch slechter gaat, en die computers zijn een vaste begrotingspost geworden, dan blijft er geen ruimte voor salarisverbetering”, klaagt CNV'er Van Overbeek. “Bovendien komen er steeds meer leraren, door de klassenverkleining in het basisonderwijs. Dat betekent dat hetzelfde bedrag straks over meer mensen wordt uitgesmeerd.” Hun leden, zeggen de bondsbestuurders in Zoetermeer èn in Utrecht, vragen zich bij elke kapitaalintensieve vernieuwing af: Wanneer krijgen wij eens een hoger salaris?

Ook vernieuwingen waarvoor de minister weinig geld uittrekt, zoals de integratie van gehandicapte of moeilijk lerende leerlingen op gewone scholen (Weer Samen Naar School), stuiten op bezwaren. Officieel onderschrijven beide bonden dat beleid. Maar de Onderwijsbonden CNV verzetten zich er openlijk tegen. Duijnhouwer: “Als een school gehandicapte leerlingen weigert, omwille van haar imago, dan vinden wij dat in moreel opzicht een slechte zaak. Maar veel scholen kunnen die opvang gewoon niet aan. Trouwens, een speciale voorziening, zoals de speciale scholen, voor gehandicapte leerlingen is toch ook christelijk? Die kinderen verdienen extra aandacht en zorg en dat krijgen ze nauwelijks op een drukke, reguliere school.”

Onderwijsvernieuwingen staan of vallen bij het enthousiasme van leraren. Illustratief daarvoor is de mislukte invoering van computers in het Comenius-project, begin jaren negentig. Op sommige basisscholen bleven de computers in het plastic, omdat de leerkrachten er zich geen raad mee wisten. Moeten de bonden, in dat licht, niet meer energie steken in het enthousiasmeren van leraren voor vernieuwingen binnen het onderwijs? Hun antwoord is eenvoudig: Voorlopig niet. Zonder tevreden leraren, zeggen ze, maakt goed onderwijs geen kans, laat staan vernieuwingen.

Ontevreden leraren - Tichelaar is eraan gewend geraakt. Hij heeft duidelijk ervaring met het overtuigen van sceptische gesprekspartners. Hij geeft je voortdurend gelijk, waarna hij je met suggesties toch van het tegendeel probeert te overtuigen. “Je moet in de dialoog blijven om die naar je hand te kunnen zetten”, zo beschrijft hij zijn strategie. Zijn leden verwijten hem regelmatig “dat ik bij Tineke en Jo op schoot zit”. Bijvoorbeeld nu hij de salarisverhoging voor beginnende leraren toejuicht. Tussen 1991 en 1997 is die voor docenten op de basisschool met 60 procent verhoogd. “Ik zit niet bij ze op schoot” zegt hij op geruststellende toon. “Maar zo'n verhoging is lovenswaardig.”

Eén vernieuwing die de AOB voorstelt, is de afschaffing van salaris-schalen, die worden bepaald door de opleiding en het aantal dienstjaren van een leraar. Tichelaar wil beloning die past bij de functie, omdat er steeds meer functies komen op basis- en middelbare scholen. “Er zijn uitzendkrachten, gastdocenten en begeleiders bijgekomen. Bovendien moeten de leraren zelf straks steeds meer gids zijn dan kennis-overdrager. Ik denk dat vier categorieën voldoende zijn.”

Tichelaar pleit ook voor functioneringsgesprekken, die nooit hebben bestaan in het onderwijs. Voor slecht functionerende of overwerkte leraren is er volgens hem ook een oplossing. Nu ze worden aangesteld door een schoolbestuur, in plaats van door een individuele school, kunnen ze uitwijken naar een andere school als ze het werk op de eerste school niet meer aankunnen. Rouleren om stagnatie, ziekte of ontslag te voorkomen. “Dit alles is personeelsbeleid en dat is iets nieuws - tot nu toe veranderde een school pas wat als ouders klaagden.”

Functioneringsgesprek? Rouleren? Bij de bestuurders van de Onderwijsbonden CNV steekt de defensieve houding prompt de kop op. Duijnhouwer neemt het op voor zijn leden: “Die dingen zijn lastig voor hen, die zijn zij niet gewend.” Bovendien is het vaak onduidelijk, zegt hij, of de individuele leraar schuld heeft aan een arbeidsconflict of juist de school.

Toch hameren ook de Onderwijsbonden CNV al jaren op personeelsbeleid, “want een arbeidsconflict op een kleine school blijft heel moeilijk, dat snijdt erin”, aldus Van Overbeek. Het antwoord is, ook volgens hen, gefuseerde schoolbesturen, met meer scholen. En langzaam maar zeker wennen die individuele scholen eraan, dat ze ook leraren afkomstig van andere scholen moeten aannemen, als daar geen werk meer voor hen is, zegt Van Overbeek. “Lange tijd hebben scholen dat verplichte karakter van het aannemen verworpen. 'Artikel 23 garandeert vrijheid van benoemingen', zeggen ze dan.” Op zo'n moment botsen de twee belangen die op de Boerhaavelaan worden verdedigd: dat van het bijzonder onderwijs en dat van de werknemers. Welk belang het grootst is, blijkt uit de reactie van Duijnhouwer en Van Overbeek: “De schoolbesturen maken dan oneigenlijk gebruik van het artikel 23 en dat kan niet. Arbeiders zijn geen weggooi-materiaal!” De blik in hun ogen is fel.