In zaken

TWEE MANNENBROEDERS van de Veluwe belichamen het spectaculaire succes van de Nederlandse economie. Niet de snelle jongens van de financiële wereld of de gevestigde zakenelite van de Randstad, maar Jan en Paul Baan, gereformeerde ondernemers uit Barneveld, zijn exemplarisch voor het Nederlandse ondernemerschap in de jaren negentig.

Hun automatiseringsbedrijf Baan, dat in 1978 als eenmanszaakje begon, is uitgegroeid tot een multinational met drieduizend werknemers en vestigingen in de VS, Maleisië, India, Israel en op de Veluwe. Tot de afnemers van de gestandaardiseerde financieel-logistieke software die Baan ontwikkelt, behoren industrieën van wereldnaam zoals Boeing, Ford en Philips. Hoezo, geen high tech in Nederland?

In een toch al zinderend beursklimaat behoort Baan tot de allergrootste stijgers van de effectenbeurs. Sinds de beursintroductie in 1995 (tegelijkertijd in Amsterdam en New York) is het aandeel Baan vernegenvoudigd. De opbrengst van de beursintroductie is gedeeltelijk in een charitatieve stichting gestort, die het geld besteedt aan ontwikkelingsprojecten in de Derde Wereld. De werknemers hebben recht op aandelenopties, in het Veluwse hoofdkantoor ligt de Statenbijbel opengeslagen.

IS BAAN EEN voorbeeld van de stelling van Max Weber dat kapitalistisch ondernemerschap voortvloeit uit de protestantse ethiek van noest werken, gebruik van talent en een spaarzaam leven in het licht van de predestinatie voor het hiernamaals? Wellicht, maar het succesvolle ondernemerschap in Nederland beperkt zich niet tot de protestantse geloofsgemeenschappen. De economie van de overwegend katholieke provincies Noord-Brabant en Limburg groeit harder dan het landelijke gemiddelde. De corridors van bedrijvigheid spreiden zich in alle richtingen uit. Wie de moeite neemt om eens te kijken bij landelijke gemeenten in Oost-Brabant, in de Achterhoek of in Twente ziet dat midden- en kleinbedrijven zich onstuimig uitbreiden. Overal langs de randen van de snelwegen staan bedrijfsterreinen vol met nieuwe ondernemingen.

Wat heeft Nederland in de jaren negentig bevangen? Zo'n decennium geleden geselde toenmalig premier Lubbers de 'Jan Saliegeest' van Nederlandse ondernemers, terwijl werkgevers klaagden over het slechte ondernemersklimaat in Nederland. Nu, onder een sociaal-democratische premier, is Nederland in de ban van het aandeelhouderskapitalisme en brengen nieuwe beleggers hun spaargeld massaal naar de effectenbeurs om te genieten van de recordhoge beurskoersen. De nationale economie groeit de komende jaren naar verwachting harder dan het Europese gemiddelde, de werkloosheid daalt dankzij de cocktail van banengroei, deeltijdwerk en gesubsidieerde Melkertbanen. De jeugdwerkloosheid is vrijwel verdwenen. Ook al telt Nederland nog altijd een onacceptabel groot aantal arbeidsongeschikten, de traditionele moraal van 'werken voor de kost' is terug van weggeweest. En werken loont weer: de oude moraal gaat samen met de postmoderne moraal van het snelle geld.

DE TRANSFORMATIE van het Nederlandse bedrijfsleven heeft talloze oorzaken. Loonmatiging, sanering van de overheidsfinanciën, terugdringing van het beslag van de collectieve sector op de economie, belastingverlaging en herziening van de arrangementen van de sociale zekerheid hebben een positieve bijdrage geleverd. Er bestaat toch iets van een maakbare samenleving: als slechte regelingen worden verbeterd, levert dat resultaat op. Een treffend voorbeeld gaf de privatisering van de ziektewet: prompt daalde het ziekteverzuim. Niet omdat werknemers plotseling zoveel gezonder werden, maar omdat een dagje ziek zijn zoveel minder aantrekkelijk werd.

De bestuurlijke hervormingen van de sociaal-economische instituties en de (beperkte) introductie van marktprikkels in de verzorgingsstaat werpen dus hun vruchten af en dat is een aansporing voor een volgend kabinet om op deze weg verder te gaan. Maar er is meer aan de hand. Het bedrijfsleven heeft zich van de overheid afgekeerd en is bereid om risico's te nemen. Niet de collectieve sector, maar de private sector heeft het ideologische tij mee. Het is een late Nederlandse uitwerking van John Kenneth Galbraith's stelling uit zijn boek (1958) 'The affluent society': private welvaart en publieke armoede. Natuurlijk, ondernemingen betalen belastingen en sociale premies, ze zijn gebonden aan voorschriften en regelgeving, maar er is sprake van een mentale waterscheiding. Ondernemers zitten niet langer te wachten op stimuleringsmaatregelen van Financiën, op steun van Economische Zaken, op regelgeving van Sociale Zaken of op beleidsnota's van Verkeer en Waterstaat.

DE KLOOF tussen het openbaar bestuur en het bedrijfsleven neemt toe. De automatische reflex van vertrouwen op de overheid als (sociaal-democratische) motor van de groei of als (christen-democratische) moderator van de maatschappelijke tegenstellingen is onder 'paars' ontegenzeggelijk afgenomen. De overheid moet regels stellen en de naleving daarvan afdwingen. Maar intussen praten steeds meer burgers op verjaarspartijtjes over aandelen, opties en de geneugten van de markt. Risicodragende ondernemingen staan op eigen benen en gaan vooral hun eigen gang. Met ontegenzeggelijk succes.