Het meedogenloze terrorisme van de Rote Armee Fraktion; Vreselijk is het, te doden

De Bondsrepubliek hield in de herfst van 1977 de adem in; 44 dagen lang. Terwijl de politie een klopjacht inzette op de ontvoerders van de Duitse werkgevers- voorzitter Schleyer, kaapte een groepje Palestijnse RAF-sympathisanten een Lufthansa-vliegtuig. Hoe een dozijn desperate jongeren de republiek twintig jaar geleden veranderde. 'Duitsland verkeerde in een psychose.'

Op het Waldfriedhof van Stuttgart was de spanning te snijden. Op deze 27ste oktober 1977 werden Andreas Baader, Gudrun Ensslin en Jan-Carl Raspe begraven. Enkele dagen eerder was nog hevig geprotesteerd tegen de uitvaart van de drie terroristen, die de Rote Armee Fraktion (RAF) een gezicht gaven. Sommige burgers wilden dat de lijken op de plaatselijke vuilnisbelt werden geworpen.

Maar burgemeester Manfred Rommel - zoon van Hitlers generaal Erwin Rommel die in Noord-Afrika naam maakte - hield voet bij stuk. “Ik weiger te accepteren dat er eersteklas- en tweedeklas-kerkhoven zijn. Na de dood moet alle vijandigheid worden begraven.” Op 18 oktober had het drietal dat Duitsland jarenlang in zijn greep hield, zelfmoord gepleegd. Een jaar eerder had Ulrike Meinhof hetzelfde gedaan.

Het Waldfriedhof vulde zich die dag in Stuttgart met familieleden en honderden sympathisanten. Velen waren gemaskerd. Tijdens de bijeenkomst ontrolden sommigen spandoeken met het opschrift: 'Gudrun, Andreas en Jan werden in Stammheim gefolterd en vermoord' en 'De strijd gaat door'.

Deutschland im Herbst.

Buiten het kerkhof keek politieman Günther Rathgeb vanuit een auto toe. Hij was commandant van de zeshonderd agenten die de plechtigheid op afstand volgden. Zou de ideologie van deze terroristen na hun dood verder leven, vroeg de politieman zich af terwijl hij de mensenmassa gadesloeg. In de auto stootte Rathgeb zijn collega aan: “Hans, kun jij je voorstellen dat dit een bedevaartplaats wordt?”

De dood van de harde kern van de Rote Armee Fraktion (RAF) markeerde het einde van een periode van hevige terreur, waarin de Bondsrepubliek in de jaren zeventig gevangen zat. Een handjevol terroristen voerde een ondergrondse 'stadsguerrilla' tegen de staat en de democratie. Niet tegen haar burgers, beweerde de RAF. Er werden wèl burgers gedood: 28 in totaal.

De leden van de terreurorganisatie met Baader, Ensslin en Meinhof als initiatiefnemers, beroofden banken, pleegden aanslagen en vermoordden 'symbolen' van het door hen verguisde 'fascistische en kapitalistische systeem': bankiers, ondernemers, rechters.

Na de dood van Gudrun Ensslin werd in haar cel het boek Die Massnahme gevonden van Bertolt Brecht, waaruit de RAF-gevangenen in hun brieven aan elkaar telkens weer hadden geciteerd.

Furchtbar ist es, zu töten.

Aber nicht andere nur, auch uns

töten wir, wenn es nottut.

Da doch nur mit Gewalt diese

tötende Welt zu ändern ist

wie Jeder Lebende weiss.

De herfst van 1977 was zo roerig omdat in enkele maanden het geweld culmineerde. De ontvoering van Hanns Martin Schleyer, voorzitter van de Duitse werkgeversvereniging, op 5 september in Keulen, ging gepaard met een schietpartij waarbij vier doden vielen. Drie veiligheidsagenten en de bestuurder van zijn auto. Terwijl de politie een koortsachtige klopjacht op de ontvoerders had ingezet, kaapte een groepje Palestijnse RAF-sympathisanten een vliegtuig van Lufthansa, dat met 92 passagiers op weg was van Mallorca naar Frankfurt. Hun eis: vrijlating van de RAF-gevangenen Baader, Raspe en Ensslin.

Politiestaat

De Bondsrepubliek hield 44 dagen de adem in. Hoe moest dat aflopen? Ontzetting, verdriet en woede beheersten het land. De radeloosheid over de terreur, de vruchteloze zoekacties naar Schleyer en de angst voor het opblazen van het gekaapte vliegtuig, dat in de brandende zon van het Somalische Mogadishu aan de grond was gezet, stimuleerden een golf van hysterie in het land.

De politie onderzocht iedereen die haar verdacht voorkwam. Progressieve woongroepen werden 's nachts plotseling door agenten wakkergeschud en gecontroleerd. In de provincie bestempelden kwaadaardige buren burgers tot 'terroristen', omdat ze met een anti-atoomsticker op liepen. Op de snelweg werden soms hectische achtervolgingen ingezet op onschuldige automobilisten, die zouden lijken op RAF-leden.

Zeven jaar terrorisme hadden de Bondsrepubliek voor sommigen veranderd in een 'politiestaat', waar noodwetten werden ingesteld die contacten van gevangenen en advocaten beperkten, waar de vrijheid van informatie tijdelijk aan banden was gelegd (uit bescherming voor Schleyer) en waar bondskanselier Willy Brandt een Berufsverbot instelde voor 'verdachte' leraren en ambtenaren. Later erkende de sociaal-democratische SPD dat dit “een verschrikkelijke vergissing” was, rijp voor de vuilnisbelt.

Wat in de jaren zestig als een ludieke revolte was begonnen, liep bij een dozijn desperate jongeren met waanvoorstellingen uit op een weergaloze ontsporing. Ze wilden 'Auschwitz' wreken. De RAF herhaalde echter wat ze meende te bestrijden, tot in het lugubere. Was het toeval dat de moordenaars van Schleyer hem - net als de SS - met een nekschot ombrachten? Was het toeval dat de ontvoerders van het Lufthansa-vliegtuig paranoïde anti-semieten waren?

De revolutionaire glans van een Che Guevara of Ho Chi Minh heeft de RAF nooit gehad. Hun acties werden door 'het gewone volk', voor wie ze zeiden te strijden, niet begrepen; ook de progressieve studentenbeweging keerde de terreurorganisatie van meet af aan de rug toe.

De zonen en dochters van de generatie, die Hitlers Derde Rijk nog had beleefd, confronteerden Duitsland 25 jaar na de oorlog opnieuw met moord en doodslag. Zij veroorzaakten een schok, die de jonge republiek veranderde.

Hoofdschuddend zit commandant Rathgeb op de bank. “Duitsland verkeerde in een psychose”, zegt hij tijdens een gesprek in zijn huis te Stuttgart, de Heimat-stad van Daimler-Benz. “Een vreselijke tijd, ik beschouw 1977 als het dieptepunt in mijn veertigjarige carrière als politieman.”

Rathgeb, nu 64, kwam voor het eerst met de terroristen in aanraking toen justitie besloot het proces tegen Baader, Ensslin, Meinhof en Raspe, die in 1971 gevangen waren genomen, in Stuttgart te houden. “Bang waren we niet. We hadden toen nog geen idee wat op ons afkwam. Justitie bracht alle gevangenen - die in verschillende huizen van bewaring in het land vastzaten - naar Stammheim over. In ijltempo werd een zwaar beveiligde afdeling voor ze ingericht. Naast de gevangenis werd een nieuwe rechtbank uit de grond gestampt voor het proces. Het gebouw was makkelijker te bewaken dan de rechtbanken in de stad. Een voordeel was ook dat de gevangenen niet over lange afstand hoefden te worden vervoerd, zodat hun vluchtkans zo klein mogelijk werd gemaakt.”

Politiecommandant Rathgeb werd belast met de veiligheidsmaatregelen in de stad en de omgeving. “Vanaf het ogenblik dat de terroristen in Stammheim zaten, stonden we onder een waanzinnige druk.” Gevreesd werd voor nieuwe acties of pogingen de gevangenen te bevrijden.

Toen kwam de aanslag op Siegfried Buback, de gezaghebbende procureur-generaal bij het hoogste gerechtshof in Karlsruhe - vlakbij Stuttgart - die op 7 april 1977 thuis werd vermoord. Het 'commando Ulrike Meinhof' eiste de aanslag op. “Dat bericht sloeg bij ons op het bureau in als een bom”, zegt Rathgeb.

“Vanaf dat moment werden alle veiligheidsmaatregelen verscherpt. We hadden in Stuttgart 1.600 agenten, maar ik kreeg 450 man extra hulptroepen uit het hele land. We voerden grootscheepse verkeerscontroles uit en hele woonwijken werden uitgekamd op zoek naar de daders.

“Eigenlijk waren we helemaal niet getraind voor dit soort meedogenloos terrorisme”, zegt Rathgeb. “We hadden tot dat moment alleen te maken gehad met demonstrerende studenten, die stenen gooiden en voor wie Amerika de vijand was. Dat konden we hanteren. Maar deze verachtelijke moordpartijen konden we helemaal niet inschatten.

“In die tijd zagen we achter elke intellectueel met lang haar een RAF-sympathisant.” De voormalige politiecommandant herinnert zich, dat destijds in Stuttgart een automobilist werd aangehouden, die op weg was naar zijn volkstuintje. Achterin stond een benzinekan. “Wij dachten meteen aan molotov-cocktails en onderzochten de auto. Later hebben we onze excuses aangeboden. Iedereen was bang in die tijd. Bang voor je collega's, bang dat je familie iets werd aangedaan. Er kwamen tal van dreigbrieven binnen. Je wist nooit wanneer de terroristen weer toesloegen.”

Op een dag reisde Rathgeb naar het vakantie-oord van Hanns Martin Schleyer aan de Bodensee. Schleyer was ook bestuurslid van Daimler-Benz in Stuttgart en Rathgeb moest er voor zorgen dat enkele agenten de ondernemer voortaan persoonlijk zouden bewaken.

“Schleyer voelde er niets voor. Als mij iets overkomt, kun je toch niets doen, zei hij. Maar ik wist hem in een lang gesprek te overreden. Dat was vier maanden voor zijn ontvoering.”

Rathgeb is nerveus, vindt het nog altijd moeilijk om over die herfst te praten. “Er is eenvoudig te veel gebeurd.” Drie van zijn jongens zijn bij de ontvoering van Schleyer doodgeschoten. Jonge knapen waren het die de werkgeversvoorzitter moesten bewaken. Tijdens de begrafenis weigerde de moeder van een van de jonge agenten Rathgeb een hand te geven. Dat doet hem nog altijd pijn. “We waren machteloos tegen deze gewetenloze vorm van terreur, maar de familie van die jongens neemt het ons nog altijd kwalijk.”

De politie kon in die herfst geen goed meer doen, zegt Rathgeb. “Wij zijn geen beulen”, zegt hij dan zacht. “We zijn geen handlangers van een systeem. De politie had zelf toch ook kinderen, die aan anti-atoombetogingen meededen. Met sommige demonstranten sympathiseerden we. Mijn eigen broer protesteerde op straat tegen de dictatuur in Chili.”

In de kritiek van sommigen, dat het beperken van individuele vrijheden destijds aan de nazi-periode deed denken, kan Rathgeb zich niet vinden. De politie mag volgens hem in sommige gevallen overdreven hebben gereageerd. “We hebben steeds de wettelijke maatregelen van de rechtsstaat benut, die het parlement had goedgekeurd.”

Dwaas

Ervoer de Bondsrepubliek de hete herfst van 1977 als een schok, voor de terroristen was de dood van de student Benno Ohnesorg tien jaar eerder een keerpunt. De jonge student werd in Berlijn doodgeschoten tijdens heftige gevechten tussen politie en demonstranten, die protesteerden tegen een bezoek van de Iraanse sjah. Ulrike Meinhof, een linkse journaliste die werkte voor het progressieve blad Konkret, had nog een open brief geschreven tegen de Iraanse dictatuur waarin folteringen, moord en honger regeerden.

“De kogel uit het pistool van deze criminele agent, die Ohnesorg doodde, heeft werkelijk alles veranderd”, zei Bommi Baumann, een ex-terrorist uit Berlijn, onlangs in een vraaggesprek met Der Spiegel. Toen nog diezelfde nacht vele jongeren bij elkaar kwamen in het honk van de SDS-studentenbeweging (Studenten voor een Democratische Samenleving) aan de Kudamm, schreeuwde de domineesdochter Gudrun Ensslin hysterisch: “Dat is de generatie van Auschwitz. Destijds hebben ze de joden omgebracht, nu beginnen ze ons te doden. We moeten ons weren. We moeten ons bewapenen!”

Bijna vierhonderd zogenaamde links-extremistische organisaties telde het ministerie van Binnenlandse Zaken in 1971. Ulrike Meinhof, Gudrun Ensslin en Andreas Baader, die elkaar in de buitenparlementaire scene in Berlijn hadden ontmoet, kozen voor de meest radicale weg.

Maar de opvatting dat de drie gezworen kameraden waren, bleek in de gevangenis een mythe. Dat werd Horst Bubeck, die destijds gevangenisinspecteur was in Stammheim duidelijk. Bubeck moest de harde kern van de RAF, die sinds 1974 in Stammheim vastzat, in de gaten houden.

“Er bestonden hevige spanningen tussen Meinhof en het duo Ensslin-Baader”, zegt Bubeck, hij woont nog altijd in een straat achter de gevreesde gevangenis. “Baader en Ensslin hadden een verhouding. Meinhof kwam steeds geïsoleerder van de anderen te staan. Er waren grote meningsverschillen. Regelmatig werd er geruzied, geschreeuwd. De RAF-gevangenen mochten elkaar bezoeken, maar later wilde Meinhof dat niet meer en bleef in haar cel.”

De relatie tussen Meinhof en Ensslin, zo bleek uit brieven van Gudrun aan Baader, was op een gegeven moment tot een nulpunt gezakt, constateert ook de journalist Stefan Aust, de huidige hoofdredacteur van Der Spiegel, die het boek Der Baader-Meinhof Komplex schreef. Ensslin wilde niets weten van Meinhofs twijfel over hun acties, haar depressies en zelfvernietigingsdrang.

Bubeck herinnert zich dat Meinhof eens een hele nacht had doorgewerkt aan een artikel. “Toen ze het de volgende dag aan Baader liet zien, schreeuwde hij Scheissdreck en verscheurde het. “Baader was de absolute heerser”, zegt Bubeck. “Zonder hem gebeurde daar boven op de zevende verdieping niets.”

Andreas Baader gold als een “dwaas”, zegt voormalig terrorist Baumann zich. Hij sprak alleen maar over terrorisme, provoceerde, liet het in cafés tot vechtpartijen komen en droeg Thomas Wolfes Geen weg terug steeds bij zich.

Baader was in 1943 in München geboren als zoon van een historicus. Zijn vader was aan het eind van de oorlog door de Russen tot krijgsgevangen gemaakt en als 'vermist' opgegeven. Baader groeide op als een door zijn moeder, grootmoeder en tante verwend kind. Hij was niet bang, wilde zich niet conformeren en was zo “onverdraaglijk”, dat hij van de middelbare school werd gestuurd. Toen de werkloze Baader eind jaren zestig in het roerige Berlijn kwam, had hij al een strafblad bij de politie wegens autodiefstallen en brandstichtingen.

In Berlijn ontmoette hij Gudrun Ensslin, de domineesdochter met lang blond haar, die uit het evangelische dorp Bartholomä kwam uit Schwaben. Een sociaal geëngageerde en welbespraakte studente. Thuis had ze al geleerd dat christendom niet ophoudt bij de kerkdeur, maar ook om politiek en sociaal handelen vraagt. Ze had haar verloofde aan de kant gezet en was met haar baby naar Berlijn vertrokken.

Baader en Ensslin voelden zich al snel tot elkaar aangetrokken en beraamden na de dood van Ohnesorg samen de eerste actie: brandstichting in het grote warenhuis Schneider in Frankfurt. Vietnam stond tenslotte ook in brand, vonden ze. Nog geen dag na de actie werden ze opgepakt. De studentenbeweging SDS was “diep verontwaardigd” over deze ongegronde terreuractie.

Vanuit de gevangenis in Frankfurt schreef Baader aan zijn Berlijnse kameraden: “Nog één verzoek, als Bonn gevallen is, rest ons nog de NAVO...” Tijdens het proces zei Ensslin dat zij meer wilden zijn dan “een bladzijde in de geschiedenis”. Een psychiater, die haar in de cel had opgezocht, merkte op dat Ensslin een heroïsch ongeduld had. “Ze lijdt onder het ongenoegen over haar bestaan. Ze wil niet wachten en alles wat ze thuis geleerd heeft in daden omzetten.”

Ensslin kwam in contact met Meinhof omdat Ulrike een artikel wilde schrijven. Meinhof stond destijds al bekend als een links journaliste en was al vanaf de jaren vijftig lid van de verboden Kommunistische Partei Deutschland, die vanuit de DDR werd bestuurd.

Meinhof was diep onder de indruk van de domineesdochter, die met haar eigen denkwijze en engagement zoveel gemeen had. Ook Meinhof kwam uit een familie van evangelische theologen. Alleen verloor ze al vroeg haar beide ouders en werd opgevoed door een vriendin van haar moeder, een linkse activiste.

Meinhof had eind jaren zestig haar burgerlijke leven in Hamburg vaarwel gezegd en was naar Berlijn getrokken. Haar man, de uitgever van Konkret Klaus Rainer Röhl, en haar twee dochters had ze achtergelaten in hun chique Hamburgse villa in Blankenese.

Meinhof raakte in haar nieuwe leven politiek vereenzaamd. Ze was opgestapt bij het linkse blad Konkret - dat haar veel te gematigd was - (“instrument van de contra-revolutie”) en had vervolgens in een hilarische actie geprobeerd de redactie in Hamburg te bezetten.

Toen ze in Berlijn met Baader en Ensslin in contact kwam, bleken ze dezelfde taal te spreken. In Meinhofs Berlijnse woning werd de Rote Armee Fraktion geboren. Direct daarna vertrok het conspiratieve trio naar Jordanië, waar ze door de PLO werden getraind. 'De politieke macht komt uit de loop van een geweer', had Mao Zedong gezegd.

Terug in Berlijn werd met een handjevol aanhangers de ondergrondse strijd tegen de staat voorbereid, die een 'volksopstand zou uitlokken'. Daar had intussen ook Jan-Carl Raspe zich bij de groep gevoegd. Een jongen, die net als Baader alleen door zijn moeder was opgevoed omdat zijn vader al voor de geboorte was gestorven. Raspe, een socioloog, kwam voort uit de studentenbeweging, had in een commune gewoond en bood de groep aanvankelijk onderdak.

Baader - voor wie de acties niet radicaal genoeg konden zijn - en Ensslin - die de leden graag beleerde met haar maoïstische bijbeluurtjes - waren de onbetwiste leiders van de nog jonge RAF.

Meinhof was het meest politiek, maar werd al te vaak door het tweetal heftig aangevallen als 'burgerlijke trut' wegens het schuldgevoel tegenover haar kinderen. Van de LSD-experimenten van het 'echtpaar' moest zij helemaal niets hebben. Toen Meinhof zich eens tot een trip had laten overhalen, dacht ze compleet gek te worden; een angst die haar vaker bekroop sinds ze op jonge leeftijd een hersenoperatie had ondergaan.

“Toen Meinhof eenmaal gevangen zat in Stammheim, ging het snel bergafwaarts met haar”, zegt Bubeck. “Dagenlang kon ze zich niets meer herinneren.” Verrast was hij niet toen bleek dat Meinhof op 8 mei 1976 in de cel zelfmoord had gepleegd. Ze had zich met aan elkaar geknoopte repen van een handdoek opgehangen.

Sartre

Officieel was Stammheim een 'hoogst beveiligde' gevangenis. Bubeck: “Maar iemand die zelfmoord wil plegen kunnen ook wij niet tegenhouden. Dat heb ik wel geleerd tijdens de dertig jaar dat ik gevangenbewaarder was. Tenzij je iemand naakt opsluit in een volkomen lege cel, en dat is onmenselijk.”

“Een jaar later werd het pijnlijker, toen de overige RAF-gevangenen zichzelf ook om het leven brachten. Baader en Raspe hadden een pistool dat door hun advocaten was binnengesmokkeld. Het bleek een grote nalatigheid van ons dat de advocaten niet gefouilleerd werden”, zegt Bubeck.

Hij wil in dit verband even “afrekenen” met die andere mythe dat de RAF-gevangenen geïsoleerd waren en gefolterd werden. “Op de etage, waar ze waren opgesloten, mochten de terroristen zes uur per dag bij elkaar over de vloer komen. De gevangenen hadden radio, een stereo, tv, een typemachine, ieder tweehonderd boeken.”

“De hele wereld keek mee, dus mochten ze veel”, zegt Bubeck. “Waarom hun advocaten dan van isolatie spraken? We hadden de pers moeten binnenlaten. Dan had iedereen het kunnen zien, al had het waarschijnlijk tot muiterij bij de andere gevangenen geleid. De zogenaamde isolatie is een legende.”

De RAF-gevangenen hadden met hongerstakingen regelingen voor elkaar gekregen, die volgens Bubeck sindsdien nooit meer in Stammheim mogelijk waren.

Op een dag werd Sartre door de RAF-advocaten naar Stammheim gehaald om te bekijken hoe de terroristen werden behandeld, herinnert Bubeck zich. De gevangenisbewaarder zat bij het gesprek dat de schrijver met Baader voerde. “Er was nauwelijks sprake van een gesprek, ze begrepen elkaar niet. Over de omstandigheden in de gevangenis werd al helemaal niet gesproken.” Tot verbazing van Bubeck hield Sartre na afloop een grote persconferentie waarin hij de erbarmelijke omstandigheden van de gevangenen hekelde. “Sartre zat in de bezoekersruimte, hun cellen had hij niet eens gezien. De man werd volkomen misbruikt.”

Twintig jaar na de dood van de harde kern van de RAF, is het Waldfriedhof in Stuttgart geen bedevaartplaats geworden. Duitsland is de schok van 1977 gelouterd te boven gekomen. De hete herfst was een katalysator voor integratie van linkse 'alternatieven' in de maatschappij. Uit onvrede over de SPD-politiek kwamen De Groenen in de Bondsdag terecht. De eens militante leider, Joschka Fischer, heeft zelfs zijn leren jack verwisseld voor een driedelig pak en houdt het oog gretig gericht op de volgende verkiezingen.

“Paradoxaal genoeg heeft de terreur van de RAF ertoe geleid, dat de Bondsrepubliek als democratische maatschappij sterker is geworden”, concludeert Hans-Ulrich Wehler, politiek historicus aan de universiteit van Bielefeld. De resolute reactie van de regering van SPD-bondskanselier Helmut Schmidt op het terrorisme, heeft bijgedragen aan de politieke integratie, zegt Wehler. “De staat was niet meer bereid toe te geven aan de eisen van terroristen. Hard reageren was het enig mogelijke, daarover bestond bij de bevolking brede consensus.”

De historicus schrijft het ontstaan van het harde terrorisme zoals Duitsland, maar ook Italië en Japan dat kenden, toe aan het feit dat deze landen jonge, ongevestigde democratieën waren. Men kende de aanpassingsgezindheid van een democratie nog niet.

“In andere Westerse landen zoals Groot-Brittannië, Amerika en Nederland protesteerden studenten tegen Vietnam en voor de zwarte-burgerrechtenbeweging, maar ze wilden het systeem van binnenuit veranderen. Nooit door terrorisme en het planmatig vermoorden van leidende figuren in de samenleving.”

Inmiddels is het terrorisme in Duitsland een “dood verleden”, meent Wehler. “Hoewel je nooit werkelijk zeker kan zijn.”

Na de dood van Meinhof, Baader, Raspe en Ensslin is een tweede en derde generatie RAF'ers ontstaan. Ook zij hebben moorden op hun geweten: in 1989 werd Alfred Herrhausen, topman van de Deutsche Bank, opgeblazen. Nog niet zo lang geleden, in 1991, werd Detlev Karsten Rohwedder vermoord. Een oud-topondernemer, die het Berlijnse Treuhand-instituut leidde dat de privatisering in het oosten van Duitsland regelde. Elf RAF-leden zitten nog gevangen; de anderen hebben hun straf uitgezeten.

Wehler ziet echter geen gevaar van instabiliteit in de Bondsrepubliek. “Er is wel sprake van teleurstelling en angst. Met ruim vier miljoen werklozen is dat niet verwonderlijk. Daarom heeft een rood-groene coalitie in de peilingen zo'n ongekende voorsprong. Het is echter een angst die zich uit in de wens naar een politieke wisseling, naar meer sociale zekerheid. En men vreest de euro.

Maar het politieke systeem zal geen gevaar meer lopen door terrorisme. Er is ook geen diepe haat tegen het politieke stelsel zoals gedurende de jaren twintig in de Weimar-Republiek. Het huidige democratische en federale systeem is stevig in de bevolking verankerd. Dat is van onschatbare waarde.''