Herinnering aan Winnetou

Een eenvoudige manier om erachter te komen hoe het met de samenleving is gesteld, is het vergelijken van een stuk of tien jaargangen van de Gouden Gids (zie Overpeinzing 898). Maar wie, behalve een verstokte kamersocioloog, komt ertoe die boeken tien jaar te bewaren? Het lukt de meeste mensen al niet eens meer, hun eigen kiekjes in te plakken.

Op een winterzondag wil je een foto van toen en toen opzoeken, je begint in de mapjes te graaien, je vindt niet wat je zoekt maar je ontdekt wel dat je er niet jonger op bent geworden. Dat geldt ook al voor mensen die nu dertig zijn.

Dan is er nog een eenvoudige manier om maatschappijkundig diagnostisch bezig te zijn. Kijk naar de spelletjes van de kinderen. In het China van Mao Zedong en het Iran van Khomeiny beschoot de jeugd van de lagere school elkaar met houten kalasjnikovs en riep 'Vuile Amerikaan'. Zelfs toen de toestand in Joegoslavië of Rwanda allerhemeltergendst was, verschenen op de televisie nog jongetjes die een stok op elkaar richtten en rèttèttèttèttèt deden. Nadat Batman en Robin hier hun intrede hadden gedaan, duurde het niet lang of je zag de jeugd, gekleed in zwarte fladdercape en vleermuiskapje elkaar op straat achterna zitten.

Ze werden hier snel verdrongen door Johan Cruyff en Piet Keyzer. Vanaf die jaren is in Nederland op straat hoofdzakelijk gevoetbald. Cruyff, Keyzer en hun lange rij van opvolgers hebben alleen zijdelings nog even concurrentie gehad van Rutger Hauer in de rol van Floris. Misschien werd de held van onze Middeleeuwen daarbij geholpen doordat er al vlug plastic zwaarden te koop waren waarmee de jongens en de voorhoede der geëmancipeerde meisjes meteen na de uitzending de straat op gingen om op elkaar in te hakken. Mocht dat zo zijn, dan blijkt daaruit dat een held bij de jeugd meer kans op succes heeft als zijn uitrusting zich leent voor commercializing. De helden van een televisieserie moeten iets onafscheidelijks hebben dat later in replica voor een paar gulden te koop is. Het beste is het als dit onafscheidelijke ook iets magisch heeft. Floris met zijn zwaard. Denk aan de zwaarden Excalibur van King Arthur en Nothung van Siegmund in Die Walküre.

Zo wordt het ook verklaarbaar dat bijvoorbeeld Swiebertje niet tot spelen op straat heeft kunnen inspireren. Ik vrees - ik meen het - dat zijn eigen komisch bedoelde lulligheid hem de das heeft omgedaan. En aan de andere kant: de supersoaker, het waterpistool met luchtdruktank en de vorm van een machinegeweer zoals dat door de Marsmannetjes wordt gebruikt, zou een veel groter straatsucces zijn geweest als het een Excalibur-niveau had gehad. De held zelf moet natuurlijk ook allure hebben. Het is geen wonder dat Rutger Hauer het in Hollywood zo ver heeft gebracht. Wat zou er van hem zijn geworden als hij hier was gebleven?

Dit alles hoort tot het televisietijdperk. Voor er televisie was, werden de kinderen geïnspireerd door wat ze zagen of lazen. In de oorlog was ik op den duur al niet zo klein meer; toch heb ik nog een paar jaar oorlog gespeeld. De jeugd van voor de oorlog was aangewezen op de Cineac en wat de ouders geschikt vonden om hun kinderen te laten lezen. De Cineac: Popeye en zijn dikke vijand, Mickey Mouse, Betty Boop, nog een paar types in wier hoedanigheid je niet op straat zou kunnen verschijnen zonder je onsterfelijk belachelijk te maken. En in de lectuur: Pietje Bell, Bulletje en Boonestaak, Eiko van de Reigerhof, Paddeltje, Dik Trom. Van tijd tot tijd kom ik een aanhanger van Pietje tegen; nog steeds kan ik me niet laten overtuigen. Dik Trom is opgegroeid tot Swiebertje. Aan Bulletje en Boonestaak heb ik dierbare herinneringen, maar nooit zin gehad om me met een van de twee te vereenzelvigen.

Hieruit zou je al kunnen afleiden dat er voor de oorlog geen toestand was waaraan de kinderen hun hart konden ophalen, zodanig dat ze daarvan spelend op straat wilden getuigen. Binnenskamers met je neus in een boek zitten is iets anders dan buiten je vriendjes van katoen geven. Gustave Aimard heeft veel moois geschreven over de Filibustiers (vermoedelijk afgeleid van vrijbuiter; ook genoemd 'boekaniers') en het zeeroversnest Maracaibo; en ik had wel Vrijbuiter Triplex willen zijn zoals die door Paul d'Ivoy is beschreven. Maar waar haalde je een onderzeeboot vandaan om daarop 's nachts aan dek een vuurpijl af te steken?

En dan, ten slotte, had je de Karl May-sekte van de kinderen die Indiaantje speelden. De fanatieksten hadden een bandje met veren om hun hoofd, een houten bijltje en een pijl en boog. Dat wapen kon je ook zelf maken zonder Indiaan te hoeven zijn. Nog altijd kom je mensen tegen, kinderen van toen, die een mondje Indiaans spreken: Howgh! Ugh! Squaw! Ugh ugh! Tomahawk.

De beste herinneringen heb ik aan een gesprek tussen twee oude Indianen. De eerste vraagt: 'Hoe gaat het tegenwoordig met Winnetou?' De ander zegt: 'Goed wel. Hij scalpeert nog zonder bril.'