Françafrique - een koele relatie

Frankrijk verliest terrein in zijn invloedssfeer bij uitstek: Afrika. President Chirac wil 's lands imago verbeteren en het kabinet-Jospin sleutelt aan het Afrikabeleid. Hoogste tijd, vindt men op het continent.

DAKAR, 30 AUG. De vluchten van Air France op Afrika ondervinden de laatste tijd nogal wat hinder. Niet van zandstormen boven de Sahara, maar van aanvaringen tussen Franse veiligheidsbeambten en Afrikaanse passagiers.

In het luchtruim tussen Parijs en Dakar vertelt een Senegalese reisgezel twee anekdotes. Begin dit jaar vloog hij met Air France naar Brazzaville. Aan boord waren enkele Congolezen die bij gebrek aan geldige papieren door Frankrijk waren uitgewezen. De meereizende politiemannen hadden de sans-papiers met handboeien aan hun stoelen geketend.

“Wij, de andere passagiers, wonden ons hierover zo op dat het toestel een tussenlanding moest maken in Marseille. We konden pas weer vertrekken nadat de boeien waren losgemaakt.”

Enkele maanden later, weet de bereisde Afrikaan, kreeg een toestel van Air France geen toestemming om op te stijgen uit Ouagadougou, de hoofdstad van Burkina Faso. Reden: de echtgenote van een Afrikaans staatshoofd en een minister van Buitenlandse Zaken weigerden halsstarrig zich te laten fouilleren door veiligheidsbeambten van Air France.

“We moeten Frans leren, Franse producten kopen en van Frankrijk houden, maar we moeten het niet in ons hoofd halen om er op bezoek te gaan”, grapt de reisgezel, die manager is bij Air Afrique, een 'pleegkind' van Air France.

Na een fraaie zonsondergang boven de Atlantische Oceaan draait de Airbus landinwaarts, scheert laag over het schiereiland Cap Vert en landt op de luchthaven Leopold Sedar Senghor. “Onze eerste president”, zegt de luchtvaartmanager. Dan, met een ironisch lachje: “Hij is het eerste en enige Afrikaanse lid van de Académie Française, want hij kan zo mooi dichten in het Frans.”

Dakar, ooit de hoofdstad van Frans West-Afrika, nu alleen nog van de republiek Senegal, ligt op het westelijkste puntje van het continent en is de meest Westerse stad van Afrika. De wijk Le Plateau, met zijn statige bank- en regeringsgebouwen, zijn groenomzoomde lanen met winkels, okergele huurkazernes en pannendaken, ademt een mediterrane sfeer.

Dit is de poort tot 'Françafrique', de verzamelnaam voor zeventien voormalige koloniën in Afrika, voor intimi het chasse gardée - exclusieve overzeese jachtdomein - van Frankrijk.

Om die exclusiviteit te bewaren heeft Parijs na de dekolonisatie de banden gecultiveerd. Door een zorgvuldig onderhouden netwerk van in Frankrijk opgeleide politici en ambtenaren, een Afrikaanse muntunie die de handels- en kapitaalstromen van en naar het voormalige moederland stabiliseerde, aanzienlijke economische hulp en defensie-overeenkomsten, en een permanente troepenmacht in Afrika. Een kostbare liaison - en dat breekt de Fransen nu op.

Pagina 8: Stropers in het Franse jachtdomein

Sinds kort opereren er stropers in het jachtdomein, met toestemming van de jachtopzieners, die hun tractementen zien slinken en graag wat bijverdienen. De nieuwe safari-gangers komen uit andere lidstaten van de Europese Unie en in groeienden getale uit de Verenigde Staten. President Clinton kondigde eerder dit jaar aan dat hij de handel met Afrika wil intensiveren en Amerikaanse investeringen op het continent wil bevorderen. Dezer dagen reist een delegatie van het Congres door Afrika om de handelsmogelijkheden te onderzoeken en de banden aan te halen.

Deze zomer vielen er twee nieuwe gaten in de omheining van het jachtdomein. De eerste bres was vooral van symbolische aard, maar moet Parijs, dat groot belang hecht aan zijn culturele presentie overzee, hebben gestoken. Op 23 juni hield de Britse ambassadeur in Dakar op het kortgeschoren gazon voor zijn ambtswoning een partijtje. De aanwezigen hieven het glas op de opening, eerder die dag, van een nieuwe steunzender van BBC-Afrika in de Senegalese hoofdstad. Die verzorgt radio-uitzendingen in het Frans én Engels: nieuws, veel muziek en voor de groeiende groep anglofielen in Senegal ook cursussen Engels. Dit is het tweede steunpunt van de BBC in francofoon Afrika. Het eerste, in Ivoorkust, bereikt sinds de opening, drie jaar geleden, al 45 procent van het luisterpubliek, bijna evenveel als het ooit onbedreigde Radio France Inter.

Wat oudgedienden van de Franse Afrikapolitiek vooral moet hebben geschokt, was de landing, eind juli, van 60 militaire instructeurs uit de VS op de luchthaven Senghor. De Groene Baretten van de Third Special Forces Group in Fort Bragg (Noord-Carolina), trainen inmiddels Senegalese bataljons die in de toekomst zullen worden ingezet bij vredesoperaties in Afrika. Een nieuwe ervaring voor de Senegalezen, want tot dusverre waren ze alleen vertrouwd met Franse instructeurs.

Senegal laat er zich graag op voorstaan dat het de oudste democratie is van Franstalig Afrika. Hoewel het in feite een een-partijstaat is - president Abdou Diouf haalt zo nu en dan een sleutelfiguur van de oppositie in zijn regering - en ofschoon het voortdurend gist onder scholieren en studenten, is Senegal voor Afrikaanse begrippen een toonbeeld van stabiliteit. Dakar is dan ook een geliefde vestigingsplaats voor Afrikaanse intellectuelen.

Een van hen is Achille Mbembe, een ambassadeurszoon uit Kameroen, die politieke wetenschappen studeerde in de VS. Hij is secretaris van CODESRIA, een denk-tank van Afrikaanse sociale wetenschappers met zijn hoofdzetel in Dakar. Mbembe, een dertiger met een modieus kaal geschoren hoofd, ziet de jongste 'invasies' in Françafrique als een teken aan de wand: “Het Franse model voor Afrika is fatigué, uitgeput. De Fransen hebben de nieuwe generatie Afrikanen niets te bieden. Door hun langdurige handjeklap met oude dictators, zoals in Zaïre (Mobutu), Togo (Eyadema), Kameroen (Biya) en Ivoorkust (wijlen Houphouët-Boigny) heeft hun model in de ogen van jonge Afrikanen afgedaan. Intellectueel gezien zijn de Fransen, ondanks hun lange aanwezigheid in Afrika, niet in staat om de herschikking van sociale krachten op het continent te bevatten. De overgang van een plattelands- naar een stedelijke samenleving, nieuwe identiteiten, politieke varianten en strijdvormen, op dat alles hebben ze geen visie ontwikkeld en ze zijn nog niet in staat gebleken hun Afrikapolitiek aan te passen”.

Voorts, meent Mbembe, kunnen de Fransen niet communiceren met de opkomende Afrikaanse elite: “Het Franse immigratiebeleid heeft tot gevolg dat steeds meer jonge Afrikanen zich elders vervoegen. Voor een kortlopend visum, bijvoorbeeld om een seminar in Frankrijk bij te wonen, worden we aan allerlei vernederingen onderworpen en dat willen we liever vermijden. Dat de Fransen aan invloed verliezen in Afrika, hebben ze alleen aan zichzelf te wijten. Die samenzweringstheorie, dat obsessieve idee van een Angelsaksisch complot om hen te verdringen, is belachelijk, volslagen surrealistisch”.

Het Franse model, vervolgt Mbembe, gaat mank aan overmatige bureaucratisering, hyper-centralisatie en een blind vertrouwen in de staat. De Fransen beweren dat de Amerikaanse hulp veel minder voorstelt dan die van hen, maar dat is een misverstand, zegt Mbembe: “De federale overheid heeft inderdaad niet veel te vergeven, maar de belangrijkste actoren van het Amerikaanse Afrikabeleid zijn geen regeringsinstanties, maar particuliere organisaties als de Ford-, Rockefeller- en Carnegie-Foundation, die grote bedragen spenderen op het continent. En vergeet de Fullbright-beurzen niet. Het zijn starheid en gebrek aan verbeeldingskracht die het Franse model zo verouderd maken.”

En de Franse particuliere investeringen? Mbembe: “De ondernemers zijn nog steeds nadrukkelijk aanwezig in de voormalige koloniën, maar ze zijn niet opgewassen tegen de dwingende recepten van IMF en Wereldbank. Als het beleid dat deze instellingen voorstaan - privatisering, openbare inschrijvingen, doelmatigheid in verhouding tot de kosten - in hun uiterste consequentie wordt doorgevoerd, krijgen de Fransen het moeilijk. In een geliberaliseerde omgeving kunnen ze niet concurreren.”

Volgens Mbembe tekent zich sinds het einde van de Koude Oorlog een nieuwe Amerikaanse Afrikapolitiek af: “De VS hebben deze zomer een partnerrelatie voorgesteld voor de handel met het continent. Ze willen hun markt verder openen voor geliberaliseerde Afrikaanse economieën. Veel Europeanen lachen daarom, maar dat is niet terecht. Dit is een potentiële markt van 800 miljoen mensen. Afrika is de last frontier van de wereldeconomie, een reservoir van onbenutte hulpbronnen en consumenten. Inderdaad, het wordt geplaagd door zwakheden, zoals een gebrekkige infrastructuur, en, vooral, politieke instabiliteit. Maar kijk eens naar Oeganda. Dat ontwikkelde een eigen model, met een stabiel politiek centrum, een vorm van pluralisme zonder partijen. Vorig jaar groeide de Oegandese economie met 8 procent, terwijl de groei bij het aantreden van president Museveni nul bedroeg. Die sprong is blijkbaar mogelijk.”

De Fransen hebben onlangs hun buitenlandse politiek aan een kritisch onderzoek onderworpen. Getuigt dit van realiteitszin? Mbembe: “Ze hebben grote belangen te verdedigen. Bijvoorbeeld in de oliesector: Gabon, Congo en Kameroen, maar ook Nigeria en Tsjaad. In Afrika bestaan de laatste ongerepte bosgebieden en de Fransen zitten tot hun oren in de houthandel. Hun nervositeit is terecht, want het tij keert in hun nadeel. Toch zijn er allerlei manieren waarop ze aanwezig kunnen blijven op het continent. Wat nodig is, is een verandering in hun denken. Dat willen ze ook, kennelijk.”

Behoud van de politieke, economische en militaire presentie zou wel eens erg kostbaar kunnen blijken. Mbembe: “Daarom hebben ze Zaïre laten schieten. In Congo-Brazzaville proberen de Fransen nu de internationale gemeenschap voor hun karretje te spannen, vooral via de Europese Unie, maar ook met inzet van Afrikanen. In de koloniale periode mobiliseerden ze soldaten uit Senegal, Mali en andere landen om voor hen te vechten in Madagascar en Indo-China. Datzelfde proberen ze nu via deze zogenaamde Interafrikaanse 'forces d'interposition', in Congo-Brazzaville, in de Centraal-Afrikaanse Republiek en binnenkort wellicht in Kameroen, als daar de bom barst.”

Is dat niet precies wat de Amerikanen nu bepleiten: een Afrikaanse vredesmacht? Mbembe: “Dat lijkt zo, maar op dit punt loopt het Franse denken achter. De Fransen willen een instrument dat volledig tot hun beschikking staat. Ooit konden ze eenzijdig interveniëren. Daar hebben ze de middelen niet meer voor, want de vereisten voor deelname aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) binden hen binnenslands de handen. De Franse para-commando's hebben zich, nadat ze hun medeburgers hadden geëvacueerd, teruggetrokken uit Congo-Brazzaville, maar vergeet niet: de olie wordt off-shore gewonnen, en dan maakt het niet veel uit wat er in het achterland gebeurt. Frankrijk kan zijn belangen voorlopig veiligstellen, terwijl de zogenaamde inboorlingen elkaar uitmoorden.”

Achille Mbembe windt er geen doekjes om: als de Fransen hun omgang met Afrika niet snel veranderen, keert zijn generatie zich resoluut af van het oude moederland. Maar ook de oude garde is de Franse arrogantie langzamerhand beu. In februari stoof een minister van een Franstalig land in Midden-Afrika het bureau binnen van de Franse ambassadeur. Een neef van hem wilde een stage volgen bij een onderneming in Parijs. Op het Franse consulaat was hij zo onbehoorlijk aan de tand gevoeld dat hij besloten had zijn heil te zoeken in Zuid-Afrika. “Als hij terugkomt, spreekt hij Engels”, brieste de minister tegen de Franse gezant, “en dat is jullie eigen schuld”.