Drina

Gisteren, zaterdag, tegen het eind van de middag zijn we, Tanja en ik, in Višegrad aangekomen en precies een dag later bevinden we ons in het politiebureau. Tegenover de commissaris van politie. Wij worden verhoord. Waarom? Dat begrijpen wij zelf ook nog niet goed.

We hebben onze komst hier, in Višegrad, in de Servische republiek Bosnië, niet bij de politie gemeld - en dat, blijkt nu, is verdacht. En we hebben de brug over de Drina gefotografeerd, dat lijkt onschuldig genoeg - maar hier, als buitenlander in de Servische republiek, met een camera rondlopen, ook dat blijkt verdacht. De brug over de Drina, het is ook de titel van het bekendste boek van de Bosnische Nobelprijswinnaar Ivo Andric. Wie het boek gelezen heeft wil de brug zien, de enige Ottomaanse, monumentale brug die Bosnië nog heeft nu de beroemde brug van Mostar er niet meer is. En het is voor de brug dat we naar Višegrad, in een uithoek in het oosten van Bosnië, zijn afgereisd. Voor de brug, en voor de bergen.

De commissaris, vandaag, zondag, in burger, is speciaal voor ons, zo lijkt het, van huis gekomen. Aan de muur in zijn kamer hangt een poster van Karadzic, 'Don't touch him' staat erop. Die poster zagen we ook al hangen op winkelruiten in de stad.

De commissaris betoont zich streng, nors: “Op de camera leg ik beslag. Wat hebben jullie vandaag in de bergen gedaan? Gewandeld? Ook gefotografeerd? Wat? Nog dingen getekend?”

Ons ongeluk is dat een politieman ons de brug heeft zien fotograferen, gisteren, tegen het eind van de middag. Hij kende onze gezichten niet - Višegrad is niet zo groot - wilde onze paspoorten zien, schreef daar alles uit over (naam, voornaam, geboorteplaats, etc.) vroeg wat wij hier kwamen doen, waar wij nu verbleven, wat wij aan het fotograferen waren (dat leek duidelijk) en waarom wij ons niet gemeld hadden (moest dat dan?) en nam - alles beleefd, toch - afscheid. We dachten dat we overal van af waren. Maar dat waren we niet.

De volgende dag na onze wandeling, horen wij van onze 'hospita' dat de politie ons zoekt. Alweer? Gisteren hadden zij toch al alles genoteerd? De hospita weet ook niet waarom ze weer gekomen zijn. Toen zij van haar werk thuis kwam, half drie, had men bij haar aangebeld met het verzoek onze 'thuiskomst' direct te melden.

“Bel dan maar”, zeggen we en we vragen ons hardop af wat er toch aan de hand kan zijn. Volgens onze hospita denkt de politie dat ik moslim ben. “Misschien hebben mensen jou Drina zien roken.” Drina is een sigaret uit Sarajevo - een 'moslimsigaret'. En wat dan nog, zeg ik, al zou ik moslim zijn? De hospita, gelaten: “Oh, dan zullen ze je wel arresteren.”

Nu, voor de commissaris, oog in oog met Karadzic aan de muur, in Nederland een oorlogsmisdadiger, hier een held, bekruipt mij, Nederlander, een lichte angst. Het wordt tijd mij te verdedigen en ik zeg ernstig: “Mag ik u iets over mijzelf vertellen? Ik ben naar Bosnië gekomen omdat ik de taal bestudeer, en omdat ik het land wil leren kennen. Ik ben naar Višegrad gekomen omdat ik de brug wil zien waar Andric over geschreven heeft. Ik weet dat de wereld slecht denkt over het Servische volk, maar ik wil dat u weet dat als ik er ook zo over dacht, ik nooit hierheen gekomen was. En nu word ik door de politie gezocht en behandeld als een misdadiger, juist omdat ik de Bosnische Serviërs niet al bij voorbaat wil veroordelen.”

De commissaris luistert naar mij, kijkt mij twee keer vanonder zijn wenkbrauwen aan, knikt, en wordt spraakzamer. “Maar wat denkt u dat wij van uw komst hier moeten denken? De wereld wil het Servische volk en de Servische republiek vernietigen. En u loopt hier met een camera rond. Wie weet heeft u daar in de bergen verwoeste moslimhuizen gefotografeerd en verkoopt u die foto's aan buitenlandse kranten. Nee, ik zeg niet dat ik denk dat u een spion bent, maar hoe kunnen wij weten dat u geen spion bent? SFOR heeft onlangs twee van de onzen (van oorlogsmisdaden verdachte Bosnische Serviërs, K.B.) opgepakt en een van hen doodgeschoten. Er is contact gelegd met behulp van een civiel, een burger. Misschien bent u die burger geweest. Hoe kunnen wij weten wie of wat u bent en wat u hier doet?”

En hij vervolgt: “De mensen hier hebben jullie nu gezien en de mensen hier zijn bang, bang voor vreemdelingen. Ik kan jullie veiligheid niet garanderen. Vertrekt u morgenvroeg uit Višegrad. De camera krijgt u terug.”