Deja vu

Als het toonbeeld van dadendrang betreden sportmensen de arena. Ze zien er gezond en sterk uit. Ze gloeien van trots en dankbaarheid omdat ze hun volk mogen vertegenwoordigen. Soms leggen ze een hand op het hart en dragen ze met de andere het vaandel met de kleuren van hun volk. Dan defileren ze op het tempo van marsmuziek langs aanhangers en leiders.

Om hun strijdlust kracht bij te zetten zingen ze samen met hen uit volle borst het volkslied. Wanneer de strijd is begonnen, worden ze bedolven onder strijdkreten en strijdliederen. De aanhangers zwaaien met vaandels, blazen op toeters en voeren rituele dansjes uit ten einde de strijd te verlevendigen. Wanneer de sportmensen van het andere volk zich niet schikken en de eigen sportmensen hinderen op weg naar de triomf, worden luidkeels gevoelens van afkeuring en zelfs haat tot uiting gebracht. Soms worden afwijkende afkomst en vreemde lichamelijke kenmerken aangewend om het vijandige gevoel te benadrukken. De vijandigheid ontaardt wel eens in een handgemeen. Dan komen de leiders bijeen en beloven ze beteugeling van de agressie rondom het strijdperk. Maar altijd weer betreden sportmensen de arena als het toonbeeld van dadendrang, zingen ze met een hand op het hart het volkslied en worden ze gesterkt door zwaaiende vaandels. Want altijd trekken weer mensen van het ene volk ten strijde tegen mensen van het andere volk.