De letteren in Harderwijk

Saskia Stegeman: Patronaat en dienstverlening. Het netwerk van Theodorus Janssonius van Almeloveen (1657 1712) in de Republiek der Letteren. Nijmegen, Katholieke Universiteit, 412 blz., 5 februari 1997. Promotores: prof.dr. J.A.G.H.M. Bots, dr. J.J.V.M. de Vet.

Niet echt een recent proefschrift en ook geen actueel onderwerp. Wel leuk overigens, om zo vlak voor het begin van het academisch jaar eens precies te horen hoe het wetenschappelijke leven van een collega van drie eeuwen geleden eruit zag. In 1697 werd Van Almeloveen hoogleraar in de geschiedenis, de welsprekendheid en het Grieks, later ook nog in de geneeskunde (hij was na afgebroken studie theologie verder als arts opgeleid), aan de universiteit van Harderwijk. Ook toen al zal men bij die stad eerder aan een dolfinarium dan aan een universiteit gedacht hebben, want zoals het heette: 'Harderwijk is een stad van negotie, men verkoopt er bokking, blauwbessen en bullen van promotie'.

Zò erg was het nog net niet, maar het was inderdaad wel mogelijk 's morgens als gewoon burger in Harderwijk aan te komen en na verdediging van een aantal stellingen en betaling van een prettig bedrag 's avonds gepromoveerd weer naar huis te gaan. Meestal duurde het wel wat langer, maar ook iemand als Linnaeus koos voor de promotie in Harderwijk omdat het snel kon en niet duur was. Van Almeloveen was geen groot geleerde en geen belangrijk of zelfs maar invloedrijk man. Hij was ontwikkeld en had een goed inkomen, hij publiceerde veel en werd tot in New York gelezen, maar hij behoorde toch tot de periferie van het wetenschappelijke leven van zijn tijd. Het lukte hem niet in Leiden of Groningen hoogleraar te worden en hij stond als traditionele polyhistor kritisch tegenover empirisch onderzoek. Ook als arts vertrouwde hij nog volledig op de Griekse en Romeinse klassieken. De ook toen al wat bizarre combinatie van vakken die hij doceerde, was voor hem zelf helemaal niet zo vreemd, omdat het hem toch altijd ging om de juiste lezing van teksten. Hij las bij voorkeur Latijn en schreef ook in die taal, niet alleen zijn boeken, maar ook de ruim 3.000 brieven die van hem bewaard zijn gebleven.

Die brieven maken hem interessant, niet als persoon, maar als representant van een internationale klasse van geleerden, die met elkaar een wijd vertakt en opmerkelijk fijnmazig sociaal netwerk vormden. Per brief kon je in Harderwijk op het internet van de Republiek der Letteren surfen. Van Almeloveen was een heel handige surfer en bovendien nooit te beroerd om anderen een handje te helpen of een goede tip te geven. Zijn correspondentie is er één tussen vrienden, in de wat gepassioneerde, soms kruiperige en overdreven onderdanige toonzetting die toen gangbaar was (mooi omschreven met 'epistolair blozen'), maar het ging wel om zaken. Na de plichtplegingen kwamen de vragen of de lieve vriend op de veiling dit boek zou willen kopen of uit de bibliotheek van die en die regent een bepaalde foliant zou kunnen lenen. Was er iets bekend over dat en dat handschrift en zou dat misschien gekopieerd kunnen worden? Het schijnt dat in Utrecht een leerstoel vrijkomt, jij kent de curator - of diens oom -, zou je me daar kunnen aanbevelen? Zou je me bij de geleerde X willen introduceren, mag ik mijn nieuwe boek aan je opdragen, zou je voor mijn nieuwe boek een drempel dicht willen schrijven? En, o ja, als ik iets terug kan doen, vraag het dan gerust, altijd tot je dienst.

Een kamergeleerde, zoals Van Almeloveen echt en met genoegen was, besteedde een groot deel van zijn tijd aan het onderhouden van contacten met collega's, magistraten, uitgevers en wie er verder allemaal nodig waren om het wetenschapsbedrijf aan de gang te houden. Er was ook geen keus, boeken waren duur en nog relatief zeldzaam, bibliotheken privébezit, tijdschriften nog nauwelijks beschikbaar en ambten afhankelijk van de steun van liefst veel en hooggeplaatste personen. Anders dan nu ging het toen nog niet om samenwerking in de wetenschap, maar om medewerking. De hulp en steun van anderen was nodig om er achter te komen wat er elders op jouw vakgebied was te vinden of wie met hetzelfde onderwerp bezig was. Door de lange reistijden en de - zelfs in ons land - vaak moeizame verbindingen bleven de persoonlijke contacten tussen collega's noodzakelijk beperkt (Van Almeloveen had vrienden van Leipzig tot Londen, maar kwam zelf nooit verder dan Haarlem en Utrecht). Brieven moesten het werk doen en in zekere zin kun je zeggen dat de correspondentienetwerken zo de voorlopers zijn geweest van de wetenschappelijke tijdschriften en de internationale conferenties.

Van Almeloveen vroeg veel van zijn collega's, maar hij deed zelf ook weer veel voor hen. Hij leende boeken aan hen, bemiddelde bij de aankoop en zette zich in om hun betere posten te bezorgen. Zijn belangrijkste wetenschappelijke handelskapitaal werd gevormd door zijn grote bibliotheek (hij bezat meer dan 3.000 boeken, meer dus dan de meeste hoogleraren nu) en zijn goede relaties met de drukkers-en uitgeverswereld. Dat was geen toeval, hij was geparenteerd aan enkele vooraanstaande Amsterdamse uitgevers en Saskia Stegeman laat er in haar proefschrift 'Patronaat en dienstverlening' geen twijfel over bestaan hoe belangrijk familiebanden - hoe verwijderd soms ook - waren in de zeventiende en achttiende eeuw.

Van Almeloveen kwam uit een keurige predikantenfamilie, niet helemaal zonder geld, maar niet rijk en zeker niet behorend tot de regentenstand. Zijn pogingen goede vrienden en collega's bij hun carrière te helpen, zijn dan ook niet erg succesvol geweest. Hij was sociaal niet prominent genoeg om 'patroon' te zijn en ook te weinig 'cliënt' geweest van machtige mannen. Zijn eigen carrière zou anders ook zeker voorspoediger zijn verlopen.

De charme van het boek van Saskia Stegeman is dat het met behulp van de nagelaten papieren van een uiteindelijk volstrekt onbelangrijke geleerde - er is zelfs geen portret van hem bekend - een belangrijk deel van de structuur van het gewone wetenschapsbedrijf van de vroeg-moderne tijd weet bloot te leggen. Of nee, de charme is natuurlijk dat zoveel van wat zo belangrijk was voor de bepruikte professor Van Almeloveen uit Harderwijk nog steeds herkenbaar is in het moderne wetenschapsbedrijf. Ik doel daarmee niet eens op de rituelen rond de promotie, de fascinatie voor boeken en teksten of de onuitroeibare archaïsmen (de 'dedicatie' van een boek, 'amice collega' als niet spottend bedoelde briefaanhef, de in onbegrijpelijk Latijn gestelde doctorsbul), maar wel op de regels van de Republiek der Letteren, die Van Almeloveen beheerste als geen ander.

De Republiek der Letteren is wat we nu een 'virtuele' wereld zouden noemen, maar het is toch altijd ook een wereld van schijn en schijnheiligheid. Dat was het al in de tijd van Van Almeloveen, die in dezelfde brief eerst zijn verontwaardiging kon uiten over wat sommige mensen al niet bereid waren te doen om een hoogleraarschap of een plaats als predikant te bemachtigden, om vervolgens doodleuk zijn penvriend aan te raden toch snel alle denkbare relaties in te zetten om in Zutphen of Nijmegen beroepen te worden. In de Republiek der Letteren is iedereen in principe gelijk en telt alleen de kracht van het argument, maar ondertussen is iedereen bezig zijn reputatie te vestigen en een mooie positie te verwerven. De Republiek kan alleen functioneren bij de gratie van volstrekte openheid, eerlijkheid, hulpvaardigheid en welwillendheid. Het gaat niet om het eigen belang, maar om het hogere belang van de waarheid.

Als regulerend principe geldt dit ook nu nog. Toch weet iedereen hoe strategisch er met kennis wordt omgegaan, hoe bang men is voor diefstal of plagiaat (een favoriet thema van Van Almeloveen) en hoezeer vriendschap en collegialiteit in dienst kunnen staan van het eigen belang. Van de idealen van de Republiek der Letteren blijft in de sociale wereld van de 'geletterden' meestal niet veel meer over, al zal dat nooit al te openlijk mogen blijken.

Saskia Stegeman ontsleutelde quasi moeiteloos (alles was gesteld in het gruwelijke geleerden-Latijn van de zeventiende eeuw) de 'amicitiae' en 'communicatie'-retoriek van onze Harderwijkse collega en houdt ons daarmee een nog niet volledig verweerde spiegel voor. “Men kan wel zeggen dat degene die carrière wilde maken in de Republiek der Letteren meer baat had bij zijn kennissen dan bij zijn kennis.” Helemaal omgedraaid zijn de rollen nog steeds niet.