De honderd bewoners van het eiland Grímsey; 'Wij volgen het licht'

De mist komt soms plotseling opzetten als een dik zwart beestachtig ding en als het sneeuwt kun je geen kant op. Het leven op het eiland Grímsey, ten noorden van IJsland, is bar en eenzaam. Maar de bewoners zijn al eeuwenlang meesters in het 'veilige overleven'. Als ze niet vissen, schaken ze. “Of ze kijken video, net als iedereen.”

In de winter, als het maar twee of drie uur daglicht is, komt de wind uit het ijskoude noorden of uit het westen. Het stormt dan vaak, langdurig en meestal hard: de wind uit het westen kan met honderd mijl per uur verwoestend zijn. De tien meter hoge ijzeren mast met de communicatie-apparatuur van het weerstation naast het huis van Bjarni is al een paar keer, zwaar van het vastgevroren ijs, omvergeblazen. In de zomers wordt het klare licht van het noorden afgewisseld met mist die soms - zoals de Schotse dominee Robert Jack schreef over zijn zeven jaren op Grímsey - als een 'dik zwart beestachtig ding' dagen achtereen boven het eiland blijft hangen.

Bjarni Magnusson (66) woont op Grímsey en heeft nooit ergens anders gewoond. Dat geldt voor de meeste van de honderd inwoners van dit eiland, dat maar zes kilometer lang en 2,5 kilometer breed is. Het ligt eenzaam in de koude oceaan, zestig kilometer ten noorden van het vasteland van IJsland. Het is het enige bewoonde eiland tussen IJsland en Groenland. Vroeger leefde de kleine gemeenschap vooral van de eieren van de honderdduizenden zeevogels die op de driehonderd meter hoge rotsen aan de noordkant nestelen. En van de visvangst, nu al vele jaren de enige bron van inkomsten. De twintig boten waarmee de vissers de zee op gaan, zijn van alle technische snufjes voorzien. “Er is deze eeuw nog nooit iemand van ons op zee omgekomen”, stelt Bjarni trots vast - het collectieve geheugen gaat ver terug in samenlevingen waar zelden iets gebeurt.

Grímsey ligt bijna loodrecht noord-zuid en is het enige deel van IJsland waarover de poolcirkel loopt. Rond de langste dag, 21 juni, gaat de zon hier niet onder, maar blijft als een rode bol boven de zeespiegel hangen. Dan is de herberg Básar van Sigrún Birna Óladóttir (38) vol met buitenlandse toeristen die het schouwspel komen fotograferen. Eind augustus, als de dagen korter worden en laatste vogelliefhebbers vertrekken, sluit de herberg en landen de kleine vliegtuigen van Flugfelag Nordurlands uit Akureyri nog maar sporadisch. Dan herneemt het leven zijn alledaagse monotonie. De postboot die eenmaal per week komt uit Dalvik, de dichtstbij zijnde haven, is dan de enige regelmatige verbinding met het vasteland - dat in de donkere herfstmaanden maar zelden vanaf Grímsey te zien is.

Bij het beschutte haventje, aan de zuidelijke punt van het eiland, ligt het dorp: een kleine twintig merendeels ruime huizen, op flinke afstand van elkaar, gelegen aan de drie korte straten Hafnargata, Vallarbraut en Saetún. Er zijn twaalf auto's.

Een eind verderop staat het Lutherse kerkje met een begraafplaats. Bij de haven zijn de enige winkel (een mini-supermarkt met textiel en veel films op video voor de donkere wintermaanden), de visverwerkingsfabriek, de smederij, de elektriciteitsgenerator en - de grote luxe van Grímsey - het zwembad. De herberg Básar en het postkantoortje liggen honderden meters verder naar het westen, bij de airstrip waar kleine vliegtuigen kunnen landen en opstijgen als het wispelturige weer het toestaat. Op de boomloze heuvels grazen enkele tientallen schapen. Ooit waren hier boerderijen, maar die zijn sinds lang verdwenen. Honden en katten worden niet op het eiland toegelaten. Er zijn drie paarden om af en toe een ritje mee te maken.

Tientallen jaren al is dit het rijk van Bjarni, hreppstjóri (districtshoofd) en syslumadur (vertegenwoordiger van de overheid), hoofd van de water- en elektriciteitsvoorziening en ook van de brandweer, die uit de gehele mannelijke bevolking bestaat. Het weerstation dat in zijn huis is gevestigd, bemant hij samen met zijn vrouw, die al vijftig jaar ook vroedvrouw is. Bjarni's vrouw heeft de meeste van de bijna vijftig kinderen gehaald die in het schoolgebouw annex gemeenschapshuis les krijgen van een onderwijzer die van het vasteland is overgekomen.

Sigrún, de eigenaresse van Básar, en de onderwijzer zijn de enige inwoners die een vorm van hoger onderwijs hebben genoten. Sigrún, geboren op Grímsey maar 's winters woonachtig in Akureyri, de 'hoofdstad' (14.000 inwoners) van Noord-IJsland, voltooide een opleiding hotelmanagement op Hawaii. Het leven op het eiland en 's zomers in haar herberg zijn haar liever dan een carrière als manager in 'zo'n Sheraton met zwarte zwanen in de vijver' of zelfs maar het leven in Reykjavik waar, de nabijgelegen dorpen meegerekend, ruim de helft (150.000 mensen) van alle IJslanders woont. Want “ook daar hebben de mensen al geen tijd meer voor elkaar”, meent Sigrun. De bijdragen aan haar gastenboek getuigen ervan hoe de tijd in Grímsey kan vergaan: soms laconiek, soms mismoedig, meestal berustend. “Het sneeuwt buiten en we kunnen niet naar huis”, noteerde een Duitse gast op 23 juni 1992. De gehaaste toerist kan een bezoek aan Grímsey zelfs zomers beter niet riskeren.

Grímsey is vernoemd naar de Viking Grim of Grimur die hier volgens de overlevering in het jaar 1000 voet aan wal zette en er bleef. Sommigen beweren dat hij zijn naam ook gaf aan Grimsay, een eilandje van de Outer Hebrides bij Schotland. Nadat een eind was gekomen aan Grimurs kolonisatie bleef het eiland enkele eeuwen onbewoond. Vanaf 1400 hebben er permanent mensen gewoond - meestal maar enkele tientallen, soms enkele honderden. Tegenover het isolement staat “dat je hier veilig zit en altijd te eten hebt”, zegt Bjarni, wijzend op enkele overscherende svartfügl, een van de 35 vogelsoorten die hier leven. Eieren en vis waren eeuwenlang het gezonde dieet van de mensen van Grimsey. Kindersterfte was er altijd lager dan op het vasteland: het isolement bood bescherming tegen epidemieën en besmetting.

Zelfs voor de ruim 260.000 overige IJslanders is Grímsey ver weg en onbekend. Van de bewoners van het eiland wordt vaak gezegd dat ze geen idee van tijd hebben, wat Bjarni bevestigt. “Wij volgen het licht”, zegt hij eenvoudig.

Robert Jack, de dominee die van 1947 tot 1953 met zijn gezin op Grímsey woonde, vertelt in zijn boek Arctic Living dat op het vasteland de mening heerste dat 'alles goed is voor Grímsey'. Zijn oordeel is achterhaald - het leven is hier niet wezenlijk anders dan in andere kleine en 's winters vaak ook geïsoleerde dorpen aan de kust op het vasteland, waar zware sneeuwval vaak voor problemen zorgt. “Jack schreef skjáldsaga (leugenverhalen)”, meent Bjarni. “Zijn boek dat in Schotland werd gepubliceerd, lokte hevig protest uit. Het heeft jaren geduurd voordat een IJslandse uitgever een vertaling op de markt durfde te brengen.”

Robert Jack, afkomstig uit Glasgow, kwam in in 1938 naar IJsland uit belangstelling voor de beroemde IJslandse saga's. Het jaar daarop, toen hij de moeilijke archaïsche landstaal een beetje meester was, brak de Tweede Wereldoorlog uit en kon hij niet terugkeren. Een bisschop van de Lutherse staatskerk haalde Jack over om theologie te gaan studeren. Na de oorlog, net getrouwd, vertrok Jack als dominee (prestur) naar Grímsey, dat het al vele jaren zonder een vertegenwoordiger van de kerk had moeten stellen. Hij klaagt in zijn boek over het primitieve bestaan van zijn eilandgemeente, die zich vrolijk maakte over de badkuip die hij 'als eerste' had meegebracht.

Zijn opvolger Petúr Sigurgeirsson, schreef ook een boek over de achttien jaar dat hij in Akureyri en Grímsey werkte: Grímsey, leven bij de noordelijke Arctische cirkel. Sigurgeirsson, die uiteindelijk bisschop werd, de hoogste functie in de Lutherse kerk van IJsland, vertelt daarin met bewondering over Eiríkur Björnsson, de laatste op Grímsey die nog in een holti woonde, een driekwart in de grond uitgegraven hut met twee vertrekken, onder een dak van hout, aarde en gras.

Eirikkur í Holti, zoals hij op Grímsey genoemd werd, werd op 2 april 1881 geboren als laatste van twaalf kinderen in zijn vaders tweede huwelijk (uit het eerste waren er al tien voortgekomen). Omdat de ouders niet voor hem konden zorgen werd Eiríkur, pas een maand oud, als een 'witte baby' - adoptiekind - bij een boer gebracht die hem twee jaar verzorgde. Vervolgens werd hij, als een soort nuttig lastdier, nog tien of twaalf keer van boerderij naar boerderij gestuurd. Als slede en paard niet beschikbaar waren, droegen sterke jongens en mannen zoals Eiríkur lasten van tientallen kilo's op hun rug over de bergen, zelfs als de sneeuw tot het middel reikte. Een geschilderd portret van Eiríkur hangt in het gemeenschapshuis, naast dat van een buitenlander die Grimsey om een heel andere andere reden vereerde.

Dat andere portret is van Daniel Willard Fiske, een rijke Amerikaan en groot liefhebber van het schaakspel. Tijdens een bezoek aan IJsland in de jaren zeventig van de vorige eeuw was hem verteld dat de inwoners van Grímsey meesters in het edele spel waren. “Grímsey is een schaakoase in de Europese cultuur”, schreef Fiske nadat hij het eiland in 1879 had bezocht. Fiske, mede-oprichter van de American Chess Monthly (1857), stichtte een schaakclub op het eiland, die hij de rest van zijn leven financieel bleef steunen. Hij schonk de bewoners, destijds enkele honderden, ook een kleine bibliotheek. De verjaardag van de vermogende weldoener, 11 november, wordt nog altijd op Grimsey gevierd in het gemeenschapshuis. Maar de vissers nemen niet meer bij slecht weer hun toevlucht tot het schaakbord. Bjarni: “Ze kijken video, net zoals iedereen.”

Bij partijen als Fiske-dag komt in Grímsey, net zoals elders in IJsland, behalve brennivin vaak (illegale) zelfgestookte landi op tafel, een wodka-achtige drank waarmee menige IJslander de zorgen van het aardse bestaan ontstijgt. “De regel is dat ontsporingen, beledigingen en incidenten, die tijdens zo'n partij voorkomen, de volgende dag vergeten en vergeven zijn”, zegt Svanfrídur Inga Jónasdóttir (45), parlementslid voor de linkse People's Alliance. Ze woont al tientallen jaren in Dalvik, het dorp aan IJslands noordkust van waaruit de postboot de verbinding met Grímsey onderhoudt.

Als kleinkind van twee grootmoeders die op Grímsey leefden, herinnert Svanfr´dur zich er de gelukkige vakanties op het eiland, dat een paradijs voor kinderen was. “Mijn grootmoeder van moeders zijde tracteerde ons vaak op de eieren van de svartfügl die altijd, wegens de sterke smaak, met veel suiker werden gegeten.” Twee mannen in haar familie - “allemaal jagers en vissers en vangers” - hebben Willard als voornaam.

In het voorjaar van 1996 vertrokken vier families, in totaal twintig personen, eenzesde deel van de bevolking, van Grímsey naar het vasteland - een ingrijpende gebeurtenis die zelfs de kranten in Reykjavik haalde. Twee families zochten hun heil op het vasteland omdat ze elkaar niet langer konden verdragen. Een derde, met een vader die geheelonthouder was, kon niet leven met de code dat incidenten als gevolg van overvloedig gebruik van alcohol als 'niet gebeurd' terzijde werden geschoven. De vierde was min of meer failliet wegens verliezen bij de handel in visquota.

IJsland, waar de visserij bijna zeventig procent van het nationaal inkomen levert, kent een streng systeem van vangstbeperkingen. Vissers krijgen quota op grond van hun gemiddelde vangstprestaties in het verleden. Maar er zijn natuurlijk goede en minder goede vissers. Sigrun: “Sommigen hebben hier een quotum van vijftien ton per jaar, en dat is te weinig om van te kunnen leven. Mijn 73-jarige vader heeft 380 ton, het grootste quotum van IJsland. Van hem zegt men wel dat hij denkt als een kabeljauw, omdat hij de vis altijd vindt.” Een visser kan quota kopen. Omdat het quota-systeem gecompliceerd is en herhaaldelijk wordt herzien, is er handel in ontstaan. Het is een ingewikkeld spel met eigen koersnoteringen in vakbladen, en volgens Sigrún soms lucratiever dan er zelf met een boot op uit gaan. Maar dat kan ook mis gaan.

Grímsey telt maar drie mannen die niet met de visserij te maken hebben - Bjarni, zijn zoon de smid en 'de man van het vliegveld'. Moderne techniek heeft het leven wel veel aangenamer gemaakt. En een dorp met honderd inwoners en, sinds 1980, een verwarmd zwembad, is zelfs in IJsland met zijn overvloed aan geothermische bronnen een klein wonder. Bjarni: “Het is tot stand gekomen door een actie van twee verenigingen, de Vrouwenbond en de Kivani's, die er in het hele land en zelfs in het buitenland geld voor ingezameld hebben.” Het water, dat verwarmd wordt door de grote oliegestookte generator die elektriciteit produceert, stroomt door een gesloten circuit waarop behalve het zwembad ook vier huizen zijn aangesloten.

Niet alleeen die vier gezinnen, maar ook de meisjes trekken meestal weg naar het vasteland, op zoek naar een echtgenoot, vertelt Svanfr´dur, tot wier kiesdistrict Grímsey behoort. En ze keren niet terug, want jongens van het vasteland willen niet naar de eenzaamheid en de barre winterstormen van Grímsey. Ze willen naar Reykjavik, waar de disco's zijn en alle andere attracties die een hoofdstad kenmerken. Het 'veilige overleven' waar Bjarni en de oudere generatie nog van opgeeft, heeft geen betekenis meer. Eieren van de zeevogels worden alleen nog verzameld als lekkernij voor feestdagen - het afdalen aan een lang touw langs de steile rotsen om de vogelnesten te bereiken, blijft gevaarlijk. Vroeger, toen elke familie een bepaald deel van de rotsen had, bedroeg de jaarlijkse oogst vele duizenden stuks - deels voedsel voor de eilanders, vaker nog “ons enige geld” (Bjarni) voor handel met het vasteland. Vis, nu de enige inkomstenbron, is ook niet meer overvloedig aanwezig in de zee rondom.

Er groeit niks op Grímsey behalve gras en een soort zwarte bessen. Bjarni - “Ik ben ook de tuinman van het eiland” - plant elke zomer boompjes en struiken achter aarden wallen. Maar met dezelfde regelmaat vernietigen de stormen van de wintermaanden en het zout van de zee het miezerig opgeschoten groen. Bjarni klaagt niet, hij begint gewoon opnieuw, levend met het ritme van het daglicht, zoals Eiríkur en al die generaties voor hem.