Zomerzorgen

De mannen waaruit ik besta kwamen bijeen voor een vergadering. Degene die zich voorzitter achtte zei: “Dit is nu zo'n rokerig achterzaaltje waarin partijgenoten politieke moorden beramen. Roken en drinken is er niet meer bij, zoals je ziet. Lauwe thee. Ik zet mijn eerste agendapunt maar niet eens op de agenda.

Oprichting van een Partij ter bevordering van de afschaffing van de seizoenen. Geen schijn van kans in Europees verband. Ik twijfel over mijn tweede agendapunt. Ik wilde een vereniging oprichten ter bevordering van de instelling van een hoogleraarschap of een bijzonder hoogleraarschap of een buitengewoon hoogleraarschap in de ethiek van de seizoenen. Ik heb nooit begrepen wat dat voor een vak is, ethiek, maar het wordt beoefend door ethici. Wetenschappers zijn het, geen dominees en zij hebben het al de hele zomer over ons versterven. Niet op de agenda dit punt? Wat zeggen de bijbel, Roquefort, Ellison, Nietzsche, Twist & Cuique, Augustinus, over de schande van de seizoenen? Dat zou ik willen...''

“Meneer de voorzitter” zei een van ons, “u bent in een slecht humeur. Waarom moeten wij in dit duffe zaaltje zitten? De zon schijnt aandachtig, er is met enige moeite wel ergens een fris briesje te vinden...”

“Ik ben in een verschrikkelijk humeur”, zei de voorzitter. “Mijn derde agendapunt ben ik vergeten. Nu volgt de rondvraag. Wil iemand het woord?”

“Een voorstel van orde”, zei een van ons. “Laten we naar een terras gaan. En doe niet of je met een voorzittershamer tikt want je hebt geen hamer en je bent geen voorzitter.”

“Zo is het”, zei de eerste, “en het is hier ook geen zaaltje.”

“Ik begrijp je probleem”, zei een derde. “Het lijkt me niet een structureel probleem. De keuze is eenvoudig: genieten van het mooie weer of je niets aantrekken van het mooie weer.”

We kwekten door elkaar, lamlendig en geïrriteerd, in onafgemaakte zinnen vol onaffe gedachten, en wisten niet waarover wij ruzie maakten. Buiten was het zonnig en warm. Het licht vonden wij goor, gemeen, de grote groene bomen vonden wij lijken op boerenkool.

“Kijk nu toch”, zei een van ons, “het is mooi weer. Wat kan er tegen mooi weer zijn? Gisteren hebben we in onze rolstoel een tochtje gemaakt en er suf van genoten.”

“Dat genieten!”, riep een ander. “Dat verdomde genieten! We zijn er te oud voor, we hebben er geen zin meer in. Hoe vaak zijn we niet verplicht geweest om te genieten, van een schoolreisje, een diner, een uitzicht, een kermis, en genoten dan in godsnaam, tegen beter weten in.”

“Seniel gemopper”, zei een ander, “ons onwaardig. Toen we heel jong waren, zestig jaar geleden, schreven we heel slechte gedichten. Sombere. Er was één goede regel in: 'Ik ken geen andre ernst dan die van feesten'. En feesten hebben we gevierd.”

“Drie punten”, zei degene die voorzitter had willen zijn. “Ten eerste is er ons zelfverwijt dat wij het mooie weer niet voldoende eren. Ten tweede is er vaak de hitte die wij, ook al met zelfverwijt, onaangenaam vinden, en die ons suf maakt. Ten derde is er onze behoefte om van en over Heinrich Heine te lezen.”

“Je zegt het”, zuchtte een ander.

“En in deze hete augustusmaand is Heine on-ver-dra-ge-lijk”, zei de eerste.

“Dat zie ik niet in”, zei een ander, “seizoenen in overvloed bij Heine, we kunnen...”

“Partijgenoten”, zei de eerste die kennelijk teruggekeerd was in het zaaltje, “op 13 december herdenken wij dat Heinrich Heine tweehonderd jaar geleden is geboren. Wij hebben ons voorgenomen veel van hem te lezen en te herlezen en zo'n beetje over hem. Ons gemoed schiet vol wanneer wij zijn naam horen. We raken helemaal in de war. Hij had het soort genie dat wij gehad zouden willen hebben. Hij had de moed en de roekeloosheid die wij gehad zouden willen hebben. Hij was zo briljant, gemeen, impulsief als wij hadden willen zijn. Zelfs om zijn lasterlijkste teksten benijden wij hem.”

“Kletspraat, dubieuze kletspraat”, zei een ander, “en ik ben je partijgenoot niet. Wat maakt je nu eigenlijk in de war, het mooie weer of Heine?”

Eén van ons zei zachtmoedig: “het zijn Heine's laatste levensjaren die het onze voorzitter aandoen. Die arme man lag steeds erger verlamd in zijn matrassengraf, leed vreselijke pijn, werkte verder, schreef harde poëzie.”

“Dat lees je dan”, zei de eerste. “In een gedichtje vertelt hij dat hij zich soms verbeeldt zoet en gouden licht te zien, maar het verdwijnt en hem blijft 'Das Bewusstsein nur, das schwere,/ Meiner schrecklichen Misere'. Het is honderdvijftig jaar geleden dat hij het dichtte, daar in een kamer in Parijs, misschien wel in de Rue d'Amsterdam. Het woord 'Misere'. Zou het toen in het Duits een luchtig leenwoord zijn geweest? Schreckliche Misere. Het klinkt zo.... Ach wat, je kijkt naar buiten en daar straalt zonlicht, om razend van te worden. Ik stel voor aan de lectuur van Heine te beginnen zodra de seizoenen zijn opgeheven.”