Werken bij de Duitse bezetter

Ex-dwangarbeiders in WO II: Een koffer in Berlijn, RVU, Ned.3, 23.11-0.01u.

De documentaire Een koffer in Berlijn dramatiseert de ineenstorting van Hitlers Derde Rijk in de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog aan de hand van de lotgevallen van twee Nederlanders die het als dwangarbeiders meemaakten. De makers hebben er historische locaties en passende oorspronkelijke beelden bij gevonden: onder het apocalyptisch geweld van de geallieerde bombardementen verandert de Duitse hoofdstad in een ruïne waarin vrijwel geen steen op de andere wordt gelaten. Bovengronds is alles vernietigd en wat er nog van menselijk leven resteert wacht onder de grond in wanhoop het einde van de oorlog af.

De schrijver/dichter Maarten Mourik, die als dwangarbeider in Berlijn werkte en met miljoenen lotgenoten als een rat in de val zat, herinnert zich vooral de oorpijn die de onophoudelijke inslagen van de geallieerde bommen veroorzaakten: “Je zat dag en nacht gevangen in een oorverdovend lawaai dat gelijktijdig uit verschillende richting kwam. Boven je hoofd had je 2.000 geallieerde vliegtuigen waaruit de bommen loeiend naar beneden kwamen, terwijl je van alle kanten omgeven was door het blaffend geratel van het Duitse afweergeschut. En daartussendoor was er die nooit ophoudende regen van brandbommen die er voor zorgde dat er geen gebouw in Berlijn over het hoofd werd gezien.”

In de documentaire van Gerard Kempers en Peter Swart komt ook Rinus van Galen aan het woord, destijds fabrieksarbeider in Rotterdam, die via de Arbeitseinsatz door de Berlijnse oorlogsindustrie werd ingelijfd. Ondanks de pijn van zijn persoonlijke herinnering (“Een olievlek die zich over heel je leven verbreidt”) is deze geboren verteller ruim 50 jaar na de gebeurtenissen nog in staat een samenhangend relaas te geven van de omstandigheden waarin de miljoenen dwangarbeiders van Europa (500.000 uit Nederland) hun onvrijwillige steentje bijdroegen aan de instandhouding en de voortgang van de Duitse wapenproductie. Van Galen moest zijn medewerking aan een vluchtorganisatie bekopen met vergelding in straf- en concentratiekampen.

Maarten Mourik kwam er relatief beter van af maar zijn Berlijnse ervaringen zouden op een later moment een blijvende schaduw over zijn leven leggen. De toekomstige diplomaat van de Nederlandse buitenlandse dienst weigerde als student de loyaliteitsverklaring te ondertekenen en kwam via dezelfde weg in een Berlijnse munitiefabriek terecht. Hij was daar verbindingsman tussen arbeiders en fabrieksleiding, had het lef om in het hoofdkwartier van de Gestapo in Potsdam voor een gearresteerde vriend te pleiten en raakte verliefd op een Duits meisje dat hij enkele jaren na de oorlog zou trouwen.

Hun geluk was geen lang leven beschoren: kort na hun hereniging werd de jonge Ruth Mourik in Indonesië op straat vermoord. Maarten Mourik vertelt het grote drama van zijn leven, waarover hij eerder een indrukwekkend boekje schreef ('Brandenburgs Requiem, 1994) in geserreerde spreukentaal. Ruth heeft “de genade van de vroege dood ervaren” en “iemand die vroeg sterft blijft altijd jong”. Hoewel de persoonlijke levensverhalen sterk genoeg zijn om drie kwartier de aandacht gevangen te houden, lijdt deze documentaire aan een tekort aan historisch kader. Aan de achterkant van de Arbeitseinsatz (die in het begin een goede verzorging van de buitenlandse arbeiders uit West-Europa waarborgde, in tegenstelling tot de dwangarbeiders uit Oost-Europa) wordt geen woord gewijd. Zoals ook Van Galens verbittering over het koele onthaal dat de dwangarbeiders na hun terugkeer in Nederland kregen, onverklaard in de lucht blijft hangen. De makers hadden hier de gelegenheid niet mogen missen dat verhaal van een eigen sociaal-historische omlijsting te voorzien. Het advies van een historicus (standaard bij Britse en Duitse documentaires) zou de film voor eendimensionaliteit hebben behoed.