Uit het moeras van de ziel

Einar Már Gudmundsson: Engelen van het universum. Vert. Paula Vermeyden. De Bezige Bij, 210 blz. ƒ 39,50

In Engelen van het universum grossiert de IJslandse romanschrijver Einar Már Gudmundsson (1954) in frasen die weinig goeds voorspellen. Al direct na het begin sluipt het bederf naar binnen en worden de naderende leegte en hopeloze teloorgang als gevolg van schizofrenie bijna tastbaar: 'Ik was een dol paard in het oog van de eeuwigheid. Later lag ik naar de hemel te kijken. En de zon kwam mijn hart binnenglippen. Een wonderlijke gloed doofde.'

Volgens de flaptekst wordt Gudmundsson beschouwd als de belangrijkste IJslandse schrijver van zijn generatie. Behalve gedichten en verhalen publiceerde hij kinderboeken en vijf romans. Met het in 1995 bekroonde Engelen van het universum trok hij voor het eerst internationale belangstelling. Zijn verslag van het afbrokkelende leven van de schizofrene Paul leest als een saluut aan zijn eigen broer, die in 1992 zelfmoord pleegde. Dat de hoofdpersoon vlak voor het slot zichzelf ombrengt is dan nauwelijks een verrassing. Ongebruikelijk is alleen dat hij daarna zelf ook nog de epiloog voor zijn rekening neemt met troostende woorden aan het adres van de familie.

Een dode zelfmoordenaar die naderhand ook nog eens als zielzorger optreedt, dat is wel heel erg bijzonder. Aanvankelijk zag ik er een bewijs in van Freuds opvatting dat het onbewuste de gedachte van de persoonlijke dood niet verdraagt, zoals af te leiden valt uit afscheidsbrieven van sommige suïcidanten ('Ik wil op mijn begrafenis Mieke Telkamp horen'). Bij nader inzien blijkt het hele boek een grote bezwering van de ramp die zelfmoord heet.

Het is jammer dat juist de zelfmoord van Paul in de mist verdwijnt. In de praktijk gaat suïcide vrijwel altijd gepaard met een groot vraagteken. Hoewel de puzzelstukken naderhand ineens in elkaar kunnen vallen, is maar zelden sprake van een zeker antwoord op de vraag waarom iemand zelfmoord heeft gepleegd. Had Gudmundsson zijn licht maar opgestoken bij de Britse literatuurcriticus Alvarez die de vele facetten van het zelfmoordvraagstuk in The Savage God (1971) onnavolgbaar beschreven heeft. Maar schizofrenie en suïcide blijven nu eenmaal in de psychiatrie de moeilijkste problemen.

Paul is niet de enige in het boek die suïcide pleegt. Voor succesverhalen met 'helden die aan het eind van het verhaal nog springlevend zijn en als verwaande gemeentebestuurders van het toneel afdrentelen' moet je elders zijn. Gudmundsson is er uitstekend in geslaagd een realistisch en overtuigend beeld op te roepen van de psychiatrische patiënten in de inrichting Kleppur. Door zijn ogen krijg je een idee van wat er aan de hand is in het moerasgebied van de ziel, waarbij de meeste personages iets onmiskenbaar sympathieks krijgen. Er zit evenwel geen intrinsieke spanning of een onverwachte wending in deze roman. Het probleem is dat het hele verhaal voortkabbelt.

Een ander minpunt is dat de schrijver soms in de val trapt van het cliché. In plaats van naar de begrafenis te gaan van een medepatiënt die zich door middel van verdrinking heeft gedood, gaat een drietal patiënten in zondagse kleren naar een peperduur hotel in de stad. Na een uitgelezen en overvloedig besprenkeld diner komt na het zoveelste glas cognac de rekening. 'Wij zijn patiënten uit Kleppur. Bel de politie maar.'

Toch maakt Engelen van het universum indruk. Paul wilde al jong schilder worden. Het liefst zo geniaal als Vincent van Gogh of Paul Gauguin, die volgens hem één en dezelfde persoon zijn. Zijn leven mislukt finaal, maar in zijn waan is hij gelijk aan Van Gogh. De beschrijving van de manier waarop de hoofdpersoon langzamerhand aan waanzin vervalt is perfect. Paul gaat zich steeds meer isoleren, meent dat de buurvrouw seks met hem wil. Wekenlang leeft hij teruggetrokken in een donkere kelder, in zijn paranoïde waansysteem. Ten slotte wordt hij opgenomen in Kleppur, waar ooit een doorgedraaide student werd geweigerd die later overleed aan een hersentumor.

De ijle sfeertekening van de IJslandse kust is subliem. Op de voorplaat kijkt een man naar een dode zeehond op het strand. Hoe en waarom het dier is doodgegaan komen we niet te weten, net zomin als de oorzaak van Pauls suïcide. De engelen die het leven van Paul moesten beschermen lieten hem al vroeg in de steek. Alsof daarmee ook de mist te vroeg op het strand is neergestreken: 'Jij blanke zwaan, ben je wel eens op het verlaten strand van de werkelijkheid geweest waar de engelen dansen? Oude schepen varen je in de droom tegemoet en de mist komt bij je op het strand zitten.'