Taakstraf te makkelijk opgelegd

ROTTERDAM, 29 AUG. Politie, justitie en de Raad voor de Kinderbescherming schieten tekort in de uitvoering van taakstraffen voor jongeren. Zware delicten worden te gemakkelijk met een taakstraf bestraft. Als een jongere tijdens de straf afhaakt gaat hij niet alsnog naar een jeugdgevangenis, maar krijgt hij herkansing na herkansing. Tussen het moment van aanhouding en de uitvoering van de straf zit te veel tijd. Vaak begrijpen jongeren zelf niet welke straf ze hebben gekregen.

Dit blijkt uit het rapport 'Beter dan zitten...', een 'belevingsonderzoek' naar taakstraffen in opdracht van het ministerie van Justitie en de stichting Kinderpostzegels. Het onderzoeksbureau Perspektief volgde veertig jongeren vanaf hun eerste gesprek met de Raad voor de Kinderbescherming tot na de uitvoering van de straf. “Het adagium is 'snel, vroegtijdig en consequent'. Dat is nog steeds een lachtertje”, aldus onderzoeker M. Eggermont. Door de problemen in de uitvoering zijn de taakstraffen vaak weinig effectief.

Het aantal taakstraffen is tussen 1983 en 1995 toegenomen van 2.000 tot ruim 14.000. Minister Sorgdrager (Justitie) streeft naar 26.000 taakstraffen in het jaar 2000. Justitie bestrijdt zo het tekort aan cellen.

Volgens Eggermont besluiten officieren van justitie en kinderrechters te gemakkelijk een taakstraf op te leggen. Gevolg is, zo meent Eggermont, dat jongeren die een zwaar delict hebben gepleegd soms gemakkelijk wegkomen met een taakstraf. “Jeugddetentie wordt nauwelijks meer opgelegd. Terwijl dat toch de meest passende maatregel kan zijn.” De grote toename maakt dat de uitvoering 'dichtslibt', zodat de wachttijd nog langer wordt. Nu bedraagt die al één tot anderhalf jaar.

Als een jongere tijdens de taakstraf afhaakt, wordt volgens Eggermont niet adequaat gereageerd. “Hij krijgt een briefje thuis met de mededeling dat de procedure is afgebroken en dan gaan er weer drie maanden overheen. Vervolgens gebeurt vaak niets, of wordt er weer een taakstraf opgelegd. Dat moet je niet doen. Je moet zeggen: twee keer een taakstraf en daarna is het afgelopen.”

Aan de andere kant komt het volgens Eggermont voor dat een taakstraf wordt opgelegd voor een te licht vergrijp. “Als een meisje een ander meisje op het schoolplein een klap geeft, kun je dat afdoen met een gesprek op school. Maar je ziet dat officieren ook daarvoor een taakstraf opleggen.” In een eerder onderzoek werd dit verschijnsel aangeduid als 'Madurodam-strafrecht'.

Een taakstraf kan bestaan uit dienstverlening of het volgen van een cursus of training. Jongeren krijgen een taakstraf voor overtredingen als winkeldiefstal, joyriding en mishandeling. Een taakstraf duurt maximaal 240 uur. Een taakstraf is volgens de onderzoekers in pedagogisch opzicht geslaagd wanneer jongeren inzicht krijgen in hun eigen gedrag en wanneer zij de straf aanvaarden.

Pagina 2: 'Taalgebruik justitie veel te ingewikkeld'

Om een taakstraf te doen slagen, is snelheid van belang. Eggermont: “Vooral bij kinderen maakt een jaar in leeftijd veel verschil. Het is lastig een jaar later te worden gestraft voor iets wat je deed toen je in je eigen ogen nog een klein jochie was. Als justitie oordeelt dat elke overtreding moet worden gestraft, moet ze dat ook binnen een redelijke termijn doen.”

Een woordvoerder van het ministerie van Justitie zegt de resultaten van het onderzoek voor kennisgeving aan te nemen. “Wij zien geen aanleiding het beleid drastisch te veranderen.” Wel zal het ministerie de rapportage nader bestuderen.

Uit het onderzoek blijkt dat jongeren zelden precies begrijpen wat voor straf ze hebben gekregen. Eggermont: “Het taalgebruik van justitie op de zitting is veel te ingewikkeld. Er vallen termen als 'subsidiair ten laste gelgd', 'met aftrek van voorarrest'. Als een jongere daar uit komt weet hij vaak nog niet wat er gaat gebeuren.” De rol van de Raad voor de Kinderbescherming (in eerste instantie onderzoek naar de situatie van de jongere, later uitleg van de straf en plaatsing bij een project) is onduidelijk en leidt tot misverstanden.

Verder zouden jongeren beter moeten worden voorgelicht. “Nu is het zo dat als je een jongere vraagt of een straf nuttig was, je opmerkingen krijgt als 'ik vind het nog steeds belachelijk dat ik een taakstraf kreeg, terwijl die mevrouw had gezegd dat ik geen straf kreeg' en 'het is idioot dat Pietje maar zoveel heeft gekregen en ik zoveel'. Dat soort dingen moet je goed uitleggen.” Eggermont pleit voor speciale cursussen voor agenten, officieren, kinderrechters en advocaten. Ook zouden die beter naar de jongeren moeten luisteren.

'Straf'-elementen van taakstraffen zijn voor de jongeren onder meer het vaste werkritme, het verlies van vrije tijd, de reiskosten, de lange dagen en de verveling. Als jongeren vinden dat ze veranderd zijn, komt dat volgens hen meer door de gang van zaken vanaf het moment dat ze op het politiebureau zijn beland dan door de straf zelf. De jongeren ervaren dit 'voortraject' soms als zwaarder dan de eigenlijke straf. Alleen de zogenoemde leerstraffen (bijvoorbeeld een cursus sociale vaardigheden of een cursus 'Slachtoffer in Beeld') geven jongeren meer inzicht in hun eigen gedrag.