Prins Albert (1819-1861); Toch te veel een Duitser

Stanley Weintraub: Albert. Uncrowned king. John Murray, 478 blz. ƒ 87,-

De eerste woordjes die de Britse koningin Victoria elke ochtend om acht uur ingefluisterd kreeg, waren Duits: 'Es ist Zeit, steh' auf!' Ze waren afkomstig uit de mond van haar echtgenoot, prins Albert, die er dan meestal al twee uur noeste arbeid aan zijn schrijftafel op had zitten. Alberts discipline en betrouwbaarheid waren de belangrijkste reden dat hij uit het Duitse vorstendom Saksen-Coburg-Gotha naar Londen was gehaald om Victoria te trouwen. Door diezelfde Duitse afkomst is Albert in Engeland altijd een vreemde gebleven, die op momenten van crisis steevast werd afgeschilderd als spion en parasiet.

Het is een van de vele paradoxen in het leven van prins Albert zoals die naar voren komen uit Albert. Uncrowned king door Stanley Weintraub. Weintraub heeft diverse biografieën van negentiende-eeuwse Engelsen op zijn naam staan, waarvan zijn studie over Victoria - waarmee de inhoud van dit boek op een aantal punten overlapt - het bekendst is geworden.

In deze vaardig geschreven biografie introduceert Weintraub de jonge Albert als welgemanierd en even redelijk als braaf - betrekkelijk uitzonderlijke eigenschappen voor een prins in de vroege negentiende eeuw. Waar zijn vader meer het type van de ruwe avonturier was, gaf Albert de voorkeur aan boeken boven drank en vrouwen. Toen de Belgische koning Leopold I, Victoria's oom, een spion vooruitzond naar Coburg voor een eerste antecedentenonderzoek, rapporteerde deze over Albert: 'Het mag als een gelukkige omstandigheid beschouwd worden dat hij al een zekere Engelse uitstraling heeft.'

Die eigenschap kwam de Duitse prins goed van pas toen hij in mei 1836 in Londen arriveerde om zijn opwachting te maken bij de zestienjarige Victoria. De prinses raakte gecharmeerd van Albert, werd verliefd op hem nadat hij Engeland voor een tweede keer bezocht, en kondigde direct aan met hem te willen trouwen. De liberale premier Melbourne haalde opgelucht adem. De jonge, obstinate Victoria had zich kort na haar troonsbestijging in 1837 in een conflict gemanoeuvreerd met het kabinet en Melbourne keek al enige tijd uit naar een evenwichtige echtgenoot die de meisjeskoningin tegen zichzelf kon beschermen. Toch kon Albert niet rekenen op een warm onthaal aan de overzijde van het Kanaal. Nog voordat het huwelijk voltrokken was besloot het kabinet hem niet in de adelstand te verheffen en hem evenmin de titel van Koning-gemaal toe te kennen. Maar het lag niet in Alberts aard zijn activiteiten te beperken tot die van koninklijke stud en al snel probeerde hij zichzelf ook een dagtaak te verschaffen. Het begon met ceremoniële functies, maar na één, twee jaar was Albert uitgegroeid tot Victoria's machtige privé-secretaris.

Zwanger

Belangrijke achtergrond hierbij was dat de Britse koningin tussen 1840 en 1857 negen maal zwanger was. Albert nam in deze periodes vaak de rol van zijn echtgenote over. Hij stelde de brieven van de koningin op, nam het voortouw bij de aankoop en (ver) bouw van de paleizen Balmoral en Osborne House, zette modelboerderijen op en was de drijvende kracht achter de Great Exhibition van 1851 in Londen. De prins-gemaal was overal. Ironisch genoeg zijn ook de Victoriaanse moraal en levenswijze meer het werk geweest van Albert dan van Victoria zelf. De prins had altijd gegruwd van de promiscuïteit van zijn vader, en aan het Britse hof importeerde hij een preutsheid waar zelfs veel Engelsen niet van terug hadden. Victoria en Albert hadden zelf een bijzonder vruchtbaar seksleven, en deden elkaar classicistische, soms pikante naaktschilderijen cadeau. Tegenover de buitenwereld was de prins echter on-Engels serieus en streng. Gevoegd bij het opkomende Wesleyaanse methodisme zorgde dit voor een atmosfeer die Melbourne deed foeteren dat 'damned morality would undo us all'. Sappige roddels mochten van Albert niet langer aan tafel besproken worden, zodat Victoria tijdens de avondmaaltijd vaak al snel uitgepraat was met haar gasten.

Daarmee vervulde Albert in Groot-Brittannië een rol die tot op zekere hoogte te vergelijken is met die van koningin-regentes Emma, een halve eeuw later, in Nederland. Beiden werden uit een klein Duits vorstendommetje gehaald om een in diskrediet geraakte monarchie te redden. Allebei zetten ze de dagelijkse gang van zaken ten paleize opnieuw op poten en voerden ze een moreel réveil door. Waar de regentes 'de klok op de troon zette' en het Oranje-hof afschermde van invloeden van buiten, verbeterde de prins-gemaal de veiligheid rond de paleizen en saneerde hij de koninklijke financiën. Met hun Duitse arbeidsethos en moralistische inslag creëerden Albert en Emma aan weerszijden van het Kanaal een bourgeois-monarchie, ijverig en vrij van schandalen.

Groot verschil tussen de twee was dat Albert intellectueel en politiek veel meer in zijn mars had, en als workaholic een veel grotere actieradius bezat. Met alle gevolgen vandien. Een van de belangrijkste verdiensten van deze biografie is dat hij - sterker dan eerdere biografieën van Albert - afrekent met de mythe dat de prins een 'onpartijdige' monarchie zou hebben gecreëerd, die boven de partijen stond. Albert was in zijn ijver voor de Britse zaak allerminst neutraal. Naarmate hij ouder werd ging de prins een steeds dwingender rol spelen in de nationale en internationale politiek. Zo zorgde hij er, samen met Victoria, diverse malen voor dat de door hen verafschuwde, maar bij kiezers zeer populaire Lord Palmerston uit de regering werd verwijderd.

De schijn van zelfbevoordeling heeft Albert niet altijd kunnen vermijden. Toen de tachtigjarige Hertog van Wellington, de held van Waterloo, de prins in 1849 vroeg hem op te volgen als opperbevelhebber van de Britse strijdkrachten, sloeg Albert het aanbod af. Als echtgenoot van koningin Victoria moest hij 'zijn eigen individuele bestaan laten opgaan in dat van zijn vrouw - en moest hij niet streven naar macht door en voor hemzelf'. Deze moreel hooggestemde taakomschrijving verhinderde Albert niet om direct na Wellingtons dood in 1852 het kolonelschap van de Grenadiers (jaarsalaris: 3.000 pond) van de hertog over te nemen. Tijdens de Krim-oorlog oefende Albert vervolgens zoveel invloed uit op de reorganisatie van het Britse leger ter plaatse dat hij in de praktijk wel degelijk Wellingtons opvolger was. Tegen de liberale premier Russell zei hij dat de vorst 'een reusachtige verantwoordelijkheid heeft om zijn kabinet in de gaten te houden en te controleren'. Vaak ging Albert veel verder.

Een belangrijke aanvulling die Weintraub daarbij geeft op de laatste grote Albert-biografie - die van Robert Rhodes-James uit 1983 - is dat hij laat zien hoe serieus de prins werd genomen door vooraanstaande politici. Ex-minister van buitenlandse zaken Granville was al in 1858 van mening dat de prins 'herhaaldelijk had voorkomen dat de regering in allerlei problemen raakte'. Toen Albert op sterven lag was het uitgerekend Palmerston die bang was hem te verliezen omdat hij hem hard nodig had om een dreigende oorlog met de Verenigde Staten af te wenden.

Maar waar hebben de goede plannen en de energie van de prins uiteindelijk toe geleid? Daarover kom je bij Weintraub minder te weten. Zoals wel meer Britse monarchie-specialisten wordt hij op cruciale momenten gehinderd door een overmaat aan respect voor zijn onderwerp. Zo schrijft Weintraub lovend over Alberts inzet voor de modernisering van het leger, maar analyseert hij niet wat dit uiteindelijk heeft opgeleverd (in een aantal gevallen bitter weinig). Ook de pastoraal-industriële paradox in Alberts leven lost hij niet op: Weintraub besteedt veel aandacht aan Alberts kruistocht voor techniek en wetenschap, maar nergens rijmt hij dit met de anti-industriële cultus van Albert en Victoria, die een groot deel van hun tijd doorbrachten in afgelegen paleizen in de Schotse hooglanden (Balmoral) en op het eiland Wight (Osborne House).

Stuiptrekking

Alberts plaats in de geschiedenis blijft daarmee een problematische. Hoewel hij de meest getalenteerde en veelzijdige figuur was die het Britse koningshuis de laatste twee eeuwen heeft gerecruteerd, heeft hij geen erfenis nagelaten. De prins-gemaal heeft er alles aan gedaan om de monarchie machtiger en invloedrijker te maken, maar na zijn dood bleek dit eerder een laatste stuiptrekking dan het begin van een nieuw tijdperk.

In 1861 stierf Albert aan maagkanker. Hij had zich doodgewerkt en zag er op zijn tweeënveertigste uit als een man van vijfenzestig. Tot overmaat van ramp was Albert ook nog eens behandeld door dokters die volgens Lord Clarendon 'nog niet geschikt waren om een zieke kat te behandelen'. Na zijn overlijden stortte Victoria zich in een jarenlange, obsessieve rouw als gevolg waarvan zij soms lange tijd niet in het openbaar wilde verschijnen. Mede hierdoor raakte de Britse monarchie de invloed die Albert had opgebouwd snel weer kwijt, in ruil voor een meer symbolische, ceremoniële functie.

Juist als symbool zou Victoria op het eind van haar leven, tijdens de Diamond Jubilee, grote uitstraling krijgen. Zo'n populariteit was voor Albert nooit weggelegd - vóór noch ná zijn dood. Het aantal monumenten voor de prins is altijd beperkt gebleven, en zo'n tien jaar geleden trok een tentoonstelling over Albert in Londen maar weinig belangstellenden. De prins-gemaal werd door de Britten gerespecteerd, zij het met tegenzin, maar nooit echt gewaardeerd. Hij was te veel een Duitser gebleven, en nooit een Engelse gentleman geworden.