Polderschilders

'Dikwijls kom ik mensen tegen die me vertellen dat vooral de triestheid in mijn schilderijen zo opvalt. Het is waar: ik kan een groep mijnwerkers, zwart van gruis, met hun nog brandende mijnlampen, in de koude ochtendlucht of in de avondschemering op weg naar huis, niet als een vrolijk clubje schilderen.

Of de arbeiders uit de kalimijnen, wit bestoft, vaalgroen getekend, sjokkend in het spookachtig licht van de elektrische lampen: dat is ook geen zegetocht van de arbeid. Zoiets heeft Walter Crane weleens geschilderd: een groepje keurig geknipte jubelende helden, met preraffael-achtige broeken aan, nog barrevoets ook, vanwege het anatomisch effect. Dat vind ik triest, omdat ik weet dat de werkelijkheid zo anders is.'

Het zijn woorden van Herman Heijenbrock (Amsterdam 1871 - Blaricum 1948), groot Nederlands schilder van de zware industrie, de hoogovens en staalfabrieken, de spoorwegen, de rook, het vuur, de dark satanic mills die van de Industriele Revolutie tot het midden van deze eeuw onze industriële beschaving hebben gedragen. Nederland heeft geen onafzienbare gebieden zoals dat van Manchester, Birmingham en Liverpool of het Duitse Roergebied, de Belgische Borinage, waar de industrie de wereld was en nog altijd is, in de grauwheid van een Pompeï, èn een Jurrasic Park der eerste machines. Misschien komt het daardoor dat hij nog niet tot onze Grote Winkler Prins is doorgedrongen, althans tussen Heijen en Heyerdahl alleen met een regel wit wordt geëerd. In Duitsland hoort hij tot de grote industrieschilders. Lees bijvoorbeeld het zeer informatieve Industriebilder, Gemälde einer Epoche, van dr. Ernst Schmacke (Ardey-Verlag, Münster 1994). Van de 73 in dit boek besproken schilders komen er 22 uit Nederland. Voor het verhoudingsgewijs geringe aandeel van de Nederlandse zware industrie in Europa is dat opmerkelijk veel.

Intussen is Nederland en zijn de Nederlanders op een andere manier veranderd. Wie altijd in de auto zit, kan dat het best zien door eens met de trein te gaan, en als je gewend bent de trein te nemen, moet je vragen of je eens met iemand mee mag in de auto. Zo zie je weliswaar hetzelfde stad- en landschap, maar uit een andere hoek, en daar gaat het om. De andere hoek veroorzaakt de verrassing. Ik had me voorgenomen, dit vrome woord nooit meer te gebruiken, maar het is nodig: zo laat je je verrassen door de aanblik van het poldermodel. Dat bestaat, kilometer na kilometer na kilometer, uit rechthoekige gebouwen, meestal wit of grijs, veel masten, viaducten, fly-overs, draglines in de weilanden, glinsterende files op de wegen en de gele de gele strepen van de treinen. Ik zat in de auto, reed door het p.m. en dacht aan Herman Heijenbrock. Wat zou hij ervan hebben gemaakt, niet alleen van het stad- en landschap voorzover het uit steen en staal bestaat; vooral ook van de poldermodelluchten, ogenschijnlijk zuiver, zonder brakende schoorstenen, met de reukloze communicatietorens aan de einder. En nog meer vooral: de mensen van het p.m., die in niets meer lijken op degenen die Heijenbrock in het citaat hierboven beschrijft, maar veel meer op de personages die Walter Crane heeft vastgelegd.Wie die van schilderijen houdt, zou niet graag dit p.m. door de grote talenten van nu geschilderd zien, stevig van lijn en kleur, de televisiehoofden met hun geautomatiseerde grijnzen, de geëxtatiseerde sporthelden, de blufhoofden, de telefoneurs, en wat je als oplettend schilder verder tegenkomt. Het hoeft niet satirisch, geëngageerd, realistisch, ex- of impressionistisch, niet op z'n Daumiers of z'n Jan Steens te zijn, maar gewoon, zoals ieder persoonlijk talent ons stad- en landschap in dit tijdvak van het internationaal roemruchte p.m. ziet.

Is Heijenbrock een groot schilder? Ik vind van wel, maar ik beschouw het hier als een academische vraag. Het gaat om het gezamenlijk oeuvre van de industrieschilders. Hoe uiteenlopend van talent ze ook mogen zijn, hoe verscheiden in hun keuze van onderwerp, ze hebben één ding gemeen. Ze hebben, achteraf bezien, een geweldige geboorte geschilderd; hoe een nieuwe samenleving in rook en vlammen ter wereld is gekomen. Het gezamenlijk oeuvre geeft de mateloosheid van deze gebeurtenis weer. Iets overeenkomstigs zou je de schilderkunst van vandaag willen zien doen, zodat je kleinkinderen zich later kunnen afvragen, hoe mateloos en heroïsch ons poldermodel is geweest.