Poldermodel gebaat bij ongeschoolde arbeid

Een goede arbeidsmarktpolitiek is verreweg de meestbelovende bron van economische groei, aldus A.H.J.W. van Schijndel en A.J. Smit. Op dat punt kan het Nederlandse poldermodel nog wel wat worden aangepast. Een pleidooi voor afschaffing van het minimumloon en een opwaardering van de ongeschoolde arbeid.

Er staat de laatste tijd veel goed nieuws in de krant over de Nederlandse economie. Maar ondertussen heerst er nog steeds grote werkloosheid. Vaak zijn het migranten die in deze situatie komen te verkeren. Het is géén nieuws dat de Nederlandse werkloze in toenemende mate langdurig werkloos en allochtoon is.

De uitzichtloze werkloosheid en sociale segregatie is een aantasting van de sociale gerechtigheid. Massale werkloosheid veroorzaakt bovendien aanzienlijke welvaartsverliezen. Het versmalt het draagvlak voor de collectieve voorzieningen en remt de economische groei. Doch groei is nodig om onze verzorgingsarrangementen betaalbaar te houden.

Alle serieuze analyses van deze problematiek wijzen erop dat regelingen die werden ingevoerd om mensen te beschermen, zich gaandeweg tegen de zwakkeren keren. Zo leidde het verbeteren van ons sociale stelsel in de zeventiger jaren tot torenhoge loonkosten voor ons bedrijfsleven. Talloze bedrijfssluitingen begin jaren tachtig waren het gevolg. De trendbreuk was het Akkoord van Wassenaar van 1982. Van de sindsdien in acht genomen loonmatiging plukken we nu de vruchten.

Het is verhelderend deze ontwikkeling in Europees perspectief te plaatsen. Onze hypothese is dat bij economische tegenspoed Nederland vanwege zijn open economie sneller genoodzaakt is de bakens te verzetten dan vergelijkbare verzorgingsstaten als Frankrijk en Duitsland. Gebeurt dat niet, dan is immers al gauw sprake van een onhoudbare ontwikkeling van de handelsbalans, het begrotingstekort, enz. Daarentegen bestaan er voor politici in de grotere, minder open economieën ruimere mogelijkheden tot doormodderen. Dit verschil verklaart de vertraging in het door Fransen en Duitsers toepassen van beleidsreceptuur die in Nederland al meer dan vijftien jaar in zwang is.

Die Frans-Duitse beleidsinertie toont eens te meer de oppervlakkigheid van de gedachte dat onze beleidsvrijheid toch al niks meer voorstelt en we dus gevoegelijk kunnen overstappen op 'Europees beleid'. Zulk gemeenschappelijk beleid kàn immers niet anders dan Frans-Duitse beleidsvoorkeuren weerspiegelen, waardoor het voor ons neerkomt op het importeren van niet op de Nederlandse situatie geënt beleid. (Zeker als de EMU doorgaat zal het die kant opgaan.) Een belangrijk comparatief voordeel van Nederland - in essentie: de grotere wendbaarheid van ons sociaal-economisch bestuur - wordt daarmee in de Haagse Hofvijver gesmeten.

Men bedenke daarbij dat het tot 'poldermodel' verheven loonmatigingsrecept zo veel effect kon sorteren omdat daartoe in de ons omringende landen niet werd overgegaan. Alleen zo kon die matiging immers resulteren in een versterking van onze concurrentiepositie. Het feit dat nu ook elders in Europa loonmatiging wordt gepraktiseerd is dan ook een niet te miskennen teken dat ons poldermodel toe is aan een nieuwe fase.

De strijd tegen werkloosheid en sociale segregatie leent zich bij uitstek voor de benodigde vernieuwing van het poldermodel. Daarbij moet dit probleem worden benaderd als arbeidsmarktvraagstuk. Drie kernpunten zijn fundamenteeel

Ten eerste moet de consequentie worden getrokken uit hetfeit dat in het lagere segment van de arbeidsmarkt honderdduizenden banen uit de markt zijn geprijsd. De grote banenvernietigers zijn het wettelijk minimumloon en het algemeen verbindend verklaren van CAO's. Ondernemers nemen nu eenmaal geen mensen in dienst die meer kosten dan opleveren. Met betrekking tot de hoogte van het loon moet daarom contractsvrijheid worden toegestaan. Afschaffing van het minimumloon is wenselijk omdat de functie daarvan - het bieden van bestaanszekerheid - door een toeslagmechanisme kan worden overgenomen.

Het tweede kernpunt is dat we in Nederland af moeten van de hovaardij van de hoofdarbeid. In de afgelopen twintig jaar is de traditionele dienstverlening goeddeels verdwenen. In de media spreekt men dikwijl over hamburgerbanen en bad jobs die niet zouden passen in de 'kennisintensieve' economie van de toekomst. Maar wat is er mis met banen tussen-de-mensen zoals tramconducteur, thuisverpleger, klasseassistent, koffiejuffrouw of buurtwerker? Of met een baan als kinderoppas, conciërge, winkelbediende, hulp in de huishouding, bewaker, boodschappenbezorger, schoonmaker, enzovoorts? Uit milieuoogpunt is het bovendien een voordeel dat dergelijke functies schone welvaartsgroei genereren.

Zulke werkgelegenheidsschepping kan en moet in de marktsector plaatsvinden: aan nog meer Gosplan-achtige banenplannen à la Melkert heeft niemand behoefte. Sweder van Wijnbergen heeft er terecht op gewezen dat minister Melkerts banenplannen door de hoge kosten waarschijnlijk meer blijvend werk vernietigen dan ze opleveren (NRC Handelsblad, 30 maart 1995).

Het derde kernpunt is dat sociale gerechtigheid de garantie van een menswaardig bestaan insluit. Het toestaan van contractvrijheid met betrekking tot de hoogte van het loon mag dan ook niet leiden tot een inkomen onder het sociale minimum. In de vorm van een negatieve inkomstenbelasting zal een toeslag tot boven dit minimum moeten worden gegeven. Dit is een moderne manier om solidariteit te organiseren. Immers: het traditionele minimumloon marginaliseert talloze toetreders tot de arbeidsmarkt tot kansloze outsiders.

De welvaartseffecten van deze arbeidspolitieke maatregelen zullen aanzienlijk zijn. Laagproductieve arbeid wordt goedkoper, waardoor aanbieders op de arbeidsmarkt eerder worden ingeschakeld. Dit bevordert de economische groei en het draagvlak voor de publieke sector. Minder overdrachtsuitgaven maken ruimte voor belasting- en premieverlaging, zodat de burger er een hoger besteedbaar inkomen aan overhoudt. Bovendien: via het uitzendwezen 'koopt' ons bedrijfsleven nu al flexibiliteit, maar elke ondernemer weet dat daar fors voor betaald moet worden. In dit opzicht leidt vrijmaking van de arbeidsmarkt tot een lastenverlichting die de bedrijvigheid ten goede zal komen. De combinatie van deze zichzelf versterkende effecten vormt de sleutel tot hogere economische groei.

En last but not least: door aldus de bakens te verzetten blijven we de andere continentale economieën een slag voor. Bij onze voornaamste handelspartners worden de lonen nu immers ook al gematigd, waardoor dat medicijn veel van zijn heilzame werking op onze concurrentiekracht verliest. Het doorbreken van starheden op de arbeidsmarkt is dan de aangewezen weg om op eigen kracht welvaartsgroei te blijven realiseren.

Na al deze economische beschouwingen wil een politiek woord wel gehoord worden. Wat betekent dit alles voor Paars II? Een voortzetting van de succesvolle samenwerking tussen liberalen en sociaal-democraten zou enorm geholpen worden als we het huidige niveau van economische groei kunnen vasthouden. Anders valt te voorzien dat traditionele tegenstellingen de paarse coalitie weldra parten zullen gaan spelen. Dit betekent dat Paars II hoe dan ook nieuwe bronnen van economische groei moet aanboren. Ons inziens is arbeidsmarktpolitiek verreweg de meestbelovende bron van groei.

Maar helaas zitten de meeste sociaal-democraten nog steeds vast aan het tweevuldig dogma van de handhaving van het minimumloon en het fixeren van hoogte en duur van de uitkeringen. Zo heeft premier Kok vorig jaar tijdens een bijeenkomst in de Rode Hoed een forse verlaging van het minimumloon mét invoering van een toeslagregeling afgewezen omdat het op den duur zou leiden tot koopkrachtverliezen voor de zwakkeren.

Dat laatste hoeft echter niet per se het geval te zijn. Over de precieze vormgeving van een fiscaal toeslagstelsel kunnen immers bij de formatie goede afspraken worden gemaakt. Waar het op aankomt is dat Paars II daadwerkelijk verantwoordelijkheid neemt voor het gestalte geven aan sociale gerechtigheid. En wel zo dat Nederland zich in de volgende eeuw als een open, dynamische en welvarende samenleving kan blijven ontwikkelen.