Opstelling Bolkestein heeft een hoog gidsland-gehalte

In de affaire van de aanhouding van Desi Bouterse zou de politiek geen rol hebben gespeeld. Een zuiver justitiële kwestie heette het te zijn. Deze week mondde die kwestie uit in crisisberaad in het Torentje, omdat de minister van Buitenlandse Zaken de indruk had gekregen dat coalitiegenoot VVD hem voor de rest van de kabinetsperiode de handen wilde binden.

De nadruk kwam daarbij te liggen op het verwijt dat de liberalen juist deze minister treiterden en dat hun kritiek op het afblazen van de aanhouding van Bouterse in Brazilië sterk was bepaald door hun verlangen om, met het oog op de komende verkiezingen, D66 te beschadigen. Maar behoudens dit partijpolitieke verwijt was er de verdediging door een bewindsman van zijn prerogatief.

In de derde termijn van het Bouterse-debat verklaarde VVD-leider Bolkestein dat het één noch het ander aan de orde was geweest. De VVD zou het zelf op 18 juli anders hebben gedaan, maar de ministers hadden hun besluit in redelijkheid genomen. Dat de minister van Buitenlandse Zaken nu en in de toekomst zijn eigen verantwoordelijkheid heeft, ook in de zaak-Bouterse, staat volgens Bolkestein niet ter discussie. VVD-woordvoerder Weisglas had volgens Van Mierlo daarover nu juist twijfel doen ontstaan. Reden waarom hij het voltallige kabinet erbij had betrokken.

De minister was achteraf niet helemaal tevreden, bleek uit zijn opmerking in een vraaggesprek met de Volkskrant dat in een nieuw regeerakkoord over het buitenlandse beleid meer zal moeten worden gezegd dan wat er in het huidige regeerakkoord staat. Van Mierlo wil zijn opvolger, wie dat ook mag worden, verrassingen besparen.

Van Mierlo had tot dusver, in tegenstelling tot voorganger Van den Broek, nauwelijks een zaak gemaakt van de formele kant van zijn positie in het krachtenveld van de politiek. Van den Broek had grote moeite met de rol die premier Lubbers zich op het terrein van het buitenlandse beleid toeëigende. Van Mierlo doet met gemak een stap terug als het onderwerp of de situatie een optreden van Kok rechtvaardigt of noodzakelijk maakt.

Maar dat laat onverlet dat de minister van Buitenlandse Zaken een eigen verantwoordelijkheid draagt, die in de kwestie-Bouterse tot uitdrukking kwam in een negatief advies aan zijn ambtgenoot van Justitie. Iedere minister op die post zou op de woorden van Weisglas eigenlijk niet anders hebben kunnen reageren dan Van Mierlo deed. Dat de minister hiermee ook een partijpolitieke stok in handen kreeg waarmee hij de VVD-aanval wist af te weren, zegt iets over het tactisch vernuft binnen de liberale gelederen.

Opvallenderwijs heeft Bolkestein tegen het einde van het debat het internationaal-politieke aspect van de zaak nog wat verder opgerekt. Op zoek naar argumenten voor de stelling van de VVD, dat de ministers het onzekere voor het zekere hadden moeten nemen (niet-schieten betekent altijd missen, citeerde minister Sorgdrager het VVD-standpunt), meende de liberale voorman dat de Brazilianen op hun bereidheid mee te werken (aan aanhouding van Bouterse) hadden moeten worden getest. Brazilië wil (permanent) lid worden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, bracht Bolkestein onder de aandacht. Per implicatie: Brazilië had een goede reden zich te gedragen en daarvan had Nederland gebruik moeten maken. Als men medewerking had geweigerd, was Brazilië de verliezer geweest en niet Nederland, zoals Van Mierlo vreesde.

Bolkesteins benadering had een hoog gidsland-gehalte. Dat verdient aandacht, niet alleen omdat zij voor een liberaal verrassend is, maar ook omdat Bolkestein op Buitenlandse Zaken na verkiezingen een mogelijkheid is. Terwijl Van Mierlo, in de achtervolging van Bouterse, zich pragmatisch een weg tracht te banen binnen de onoverzichtelijke driehoek Den Haag-Brasilia-Paramaribo en zich zorgen maakt over de schade die het koninkrijk daar kan oplopen, ziet de VVD voor zich de ruime baan van de vaderlandse rechtsgang - waar de verliezer altijd de andere is.

Bolkesteins argument was opportuun bij het dekken van de terugtocht. Maar het had verder weinig te maken met de internationale werkelijkheid. De gedachte dat een aarzelend Brazilië te kijk zou staan voor het forum van de internationale gemeenschap, sterker dat het zijn kansen op een permanente zetel in de Veiligheidsraad op het spel zou zetten door niet probleemloos aan een uitgesproken Nederlands verlangen Bouterse aan te houden te voldoen, is ver gezocht. De Amerikanen hebben onlangs een plan gelanceerd om drie van vijf nieuwe permanente zetels door 'ontwikkelingslanden' te laten bezetten. Brazilië is namens Latijns Amerika daarvoor een gegadigde. Het zal niet worden gepasseerd indien het rekening zou houden met de belangen van een (Latijns-Amerikaans) buurland.

Ook andere 'ontwikkelingslanden' zouden niet onmiddellijk hebben gesteigerd als Brazilië Bouterse had laten lopen. Over wat rechtsgang is hebben zij over het algemeen geheel eigen opvattingen en de voormalige koloniale relatie tussen Nederland en Suriname bevordert niet het begrip voor eerstgenoemde. Beducht als deze landen zijn voor inmenging van vroegere heersers en nieuwe machtigen in hun interne aangelegenheden, zijn zij zich er maar al te zeer van bewust welke kant zij moeten kiezen in een problematische kwestie als die rondom de voorgenomen aanhouding van Bouterse is ontstaan, een machtig man in een ontwikkelingsland die zich slachtoffer noemt van neo-kolonialistische opzetjes.

Heeft Nederland een kans eens in de positie te geraken Bouterse te berechten? Van Mierlo heeft van het moment af dat de meningsvorming daarover binnen het kabinet in een kritieke fase belandde, zijn twijfels geuit. Onder verwijzing naar het lot van zijn oud-collega Frank Wijngaarde, een van de slachtoffers van de decembermoorden, heeft hij duidelijk gemaakt waar hij als persoon in deze zaak staat. Als minister van Buitenlandse Zaken heeft hij op 18 juli “in redelijkheid” geadviseerd tegen een gericht verzoek om aanhouding van Bouterse in Brazilië. Terecht heeft hij voor dat advies ruimte opgeëist toen de indruk kon ontstaan dat die ruimte hem binnen de Kamer werd onthouden.