'Mexico heeft het van Colombia overgenomen'; 'We moeten ophouden over drugs te praten'

Sinds de val van het Colombiaanse Cali-kartel is Mexico nu de nieuwe narcostaat van Latijns Amerika. Tocht naar de bakermat van de drugsmaffia in Sinaloa.

BADIRAGUATO, 29 AUG. “Het is een stigma, een heel naar stigma”, brult de burgemeester van Badiraguato in zijn met foto's van zichzelf behangen kantoor. Behalve een flinke dosis zelfingenomenheid, heeft hij een stem als een klok. “We hebben hier de mooiste gemeente van heel Mexico”, roept burgemeester Jesús Caro in zijn bouwvallige gemeentehuis. “En iedereen brengt ons steeds weer met drugs in verband.”

Toch is dat niet toevallig, werpen we tegen. Neem nu hemzelf. Is hij niet de oom van een van de grootste Mexicaanse drugshandelaars, Rafael Caro Quintero. En tevens de neef van de man die wel de 'uitvinder' van de Mexicaanse cocaïnehandel tussen Colombia en de Verenigde Staten wordt genoemd: Don 'Neto' Fonseca, eveneens uit Badiraguato, en nu met 'pensioen'.

“We zijn van dezelfde stam”, geeft burgemeester Jesús Caro bulderend toe. “Maar je hebt goeie, en je hebt slechte takken. Je hebt dode, gevangen, en gevluchte Caro's. Ik ben niet dood en ook niet gevlucht. Kijk maar: ik ben de meest gerespecteerde burgemeester van Badiraguato.”

Een politieke functie blijkt in Mexico echter allerminst een garantie voor schone handen als het om drugs gaat. Een half jaar geleden riepen de Amerikanen de Mexicaanse drugskartels uit tot “de grootste en machtigste ter wereld”. “De Mexicanen hebben het van de Colombianen overgenomen”, zei dit weekend ook de baas van de Colombiaanse drugsbestrijding, generaal José Serrano.

In Mexico gaat de laatste paar maanden geen dag voorbij of er is weer een nieuwe onthulling over de betrokkenheid van hoge staatsambtenaren bij de kartels. Drie deelstaat-gouverneurs en oud-president Salinas zouden bij drugshandel betrokken zijn. In februari werd het hoofd van de Mexicaanse drugsbestrijding, generaal Gutiérrez Rebollo, gearresteerd. Hij wordt ervan verdacht lid te zijn van het grote Juárez-kartel. Gutiérrez leerde de capo's in hun geboortestreek Sinaloa kennen, waar hij in de jaren tachtig commandant van de 'vijfde militaire zone' was.

Inmiddels heeft het schandaal zich uitgebreid naar meer dan tachtig hoge militairen. Het onafhankelijke weekblad Proceso legde beslag op geheime militaire documenten waaruit blijkt dat 86 luitenanten, kolonels en generaals op de loonlijst van de kartels stonden. Zo spaarde generaal Félix Tapia als commandant in Sinaloa bankrekeningen vol. Alle troepenbewegingen en operaties tegen de drugshandel werden eerst door hemzelf gepland, staat in het geheime document. Vervolgens gaf hij ze per radio of zaktelefoon door aan Rafael Caro Quintero of Don 'Neto' - de familieleden van de burgemeester. Een andere hoge militair in Sinaloa kreeg van de drugsfamilie niet alleen geld cadeau, maar ook landbouwmachines voor de drugsoogst van zijn regiment. Omgekeerd waren Don 'Neto' en neef Caro Quintero eregasten op alle officiële gelegenheden van het regiment, en ook op verjaardagen.

“We geven toe dat er in Badiraguato in het verleden papaver en marihuana is verbouwd”, zegt burgemeester Jesús Caro, terwijl hij de plaatselijke legercommandant op de schouders slaat. Als een groene muis kijkt de commandant tegen de grote Don Jesús op. Elke keer als de luitenant-kolonel iets wil zeggen, snoert de burgemeester hem de mond. “Maar al in 1976 is het leger hier met de operatie Mars begonnen”, brult de burgemeester terwijl hij de schouder van de arme militair blijft bewerken. “Sindsdien is er weinig meer aan de hand. Nietwaar?” Zonder dat de militair kan antwoorden, stoomt de burgemeester door. Onder zijn leiding, vertelt hij, is hij bezig om Badiraguato om te vormen tot het Nederland van Mexico. Bloemen, kaas, en boter wil hij er produceren. Er zijn gigantische dennenbossen waar hout bewerkt kan worden. En dan de mijnen. Meer dan vijfhonderd goud-, zink- en kopermijnen maken uiteindelijk dat Badiraguato 'het hééft': “We moeten ophouden over drugs te praten.”

Die middag rijden we met de secretaris van de burgemeester door de bergen van Badiraguato. Meer dan 150.000 hectare bestrijkt de gemeente. Onverharde hobbelwegen waarlangs doodarme families in plaggen-hutten wonen. Van Don Jesús kreeg de secretaris de opdracht om het “door mijzelf bedachte bloemenproject” te laten zien. De burgemeester had er zelfs “hulp uit het buitenland” voor gekregen. Op de kale heuvel is echter geen bloem te zien. “Ze zijn al geplukt”, zegt de secretaris. Trots vertelt hij dat dit landgoed van hem is. Dus de opbrengst van de bloemen is in zijn eigen zak verdwenen? “Het was een voorbeeldproject”, verklaart de secretaris, terwijl hij de gemeentejeep tegen de heuvel van de plaatselijke goudmijn opstuurt. De mijn ziet eruit of hij nog uit de Revolutie stamt. Verlepte machines. Een paar magere arbeiders. “Als het goed gaat, produceren we drie gram goud per dag”, zegt de voorman vermoeid.

De werkelijke goudmijn van Badiraguato is nog altijd de drugshandel, geeft de secretaris uiteindelijk toe. Verder en verder rijden we bergen in, geëscorteerd door een pick-up truck met zes zwaarbewapende politieagenten. “Voor het geval dat”, had de secretaris gezegd. Hij wijst op de electriciteitspalen die door Rafael Caro Quintero zijn neergezet. “Er was geen electriciteit in deze streek. Maar Don Rafael heeft dat twee jaar geleden voor de mensen aangelegd.” “Dankbaar” zijn de mensen hem daarvoor, volgens de secretaris. “Wat hij búíten Badiraguato doet, gaat ons niet aan. Voor de bevolking is hij altijd goed geweest.” Volgt een verhaal over een ziek kind dat door Don Rafael hoogstpersoonlijk in zijn privé-helikopter naar het ziekenhuis is gebracht. En de moeder kreeg ook nog een koe van de Don cadeau. “Ze doen hun zaken buiten Sinaloa. Hier in de bergen is er echt niets meer aan de hand”, zegt de secretaris, terwijl hij onze politie-escorte nauwlettend in de gaten blijft houden.

Hoe weinig er inderdaad in Badiraguato aan de hand is, ontdekten we toen we aan het begin van de middag nog even bij de kazerne langs gingen. “Elke dag wel een oogst”, zei de luitenant-kolonel over de landkaart vol spelden in zijn kantoor. De spelden gaven de marihuana- en papaverteelten aan die zijn mannen de afgelopen zes maanden hebben vernietigd. Vijftien machinegeweren, en tien pistolen nam het leger in beslag. “Maar meestal zijn de velden al verlaten als we aankomen.”

En de verhalen over Mexicaanse legerhelikopters die water sproeien in plaats van gif? Corrupte commandanten die martelen en mishandelen, om er uiteindelijk zelf met de drugs vandoor gaan? De luitenant-kolonel haalde zijn schouders op. “Wij zijn hier om de bevolking te helpen”. Dat is de nieuwe politiek van het Mexicaanse leger, verklaarde hij. “Wij gaan er tegenwoordig van uit dat iemand onschuldig is tot het tegendeel bewezen is.”

Steeds hoger gaat het de bergen in. Langs het pad zijn mannen op ezels te zien. Ze groeten met hun cowboyhoed als de secretaris voorbij komt. Na een paar uur hobbelen komen we in het gehucht waar zowel oom 'Neto' als zijn neefje Rafael zijn geboren. Telefoon is er nog niet. Ook geen stromend water. Maar boven op de berg zien we plotseling een Griekse tempel verrijzen. “De graftombe van Don Neto”, verklaart de secretaris. Eenmaal boven blijkt het wit marmeren gevaarte bijna de afmetingen van het echte Pantheon te hebben. “Het zijn echte mannen uit Badiraguato”, zegt de secretaris, en wijst naar de volgende heuveltop waarop de graftombe te zien is van neef Rafael Caro. “Ze zullen zich nooit overgeven, en ze houden van hun grond.