Julien Benda: La trahison des clercs, 1927

Julien Benda: La trahison des clercs. Grasset, Les Cahiers Rouges, ƒ 25,- (pbk)

De meest onwaarschijnlijke 'voorloper van Adolf Hitler' is zonder twijfel de Franse filosoof, schrijver en essayist Julien Benda (1867-1956). Toch werd hij in 1938 door Henri Massis zo betiteld, naar aanleiding van zijn Discours à la nation européenne. Zowel Benda als Hitler zou streven naar een totalitair Europa, ten koste van het individualisme, en bij beiden ging dit gepaard met een quasi-godsdienstig enthousiasme. Het nationaal-socialisme was immers een seculiere religie, terwijl het Europa van Benda een 'triomf van de God van het Immateriële' moest worden.

Uit de vergelijking spreekt op z'n zachtst gezegd weinig begrip voor de ideeën van Benda, die de Europese eenwording juist bepleitte om ideologieën als het nationaal-socialisme de wind uit de zeilen te nemen. Massis, zelf een ultra-rechtse katholiek, was er dan ook niet op uit Benda recht te doen, hij had een oude rekening te vereffenen, al werd dat er niet met zoveel woorden bij gezegd. Als aanhanger van de nationalistische Action Française nam hij wraak voor de aanval op deze beweging en haar leider Charles Maurras, die Benda had ondernomen in La trahison des clercs, het pamflet uit 1927 dat zijn naam nog altijd voor de vergetelheid behoedt.

Maurras was niet de enige die Benda in zijn veelgelezen pamflet (waarvan de titel een begrip zou worden) onder handen nam. Ook Barrès, Péguy, Kipling, D'Annunzio, Mommsen en Treitschke moesten het ontgelden. Zij allen hadden 'verraad' gepleegd. Waaraan? Aan de ware roeping van de intellectueel of, zoals Benda hem noemt, de clerc, het Franse woord voor geestelijke. Benda, die de wereld naar eigen zeggen liefst als een 'immens klooster' had gezien, ging ervan uit dat de roeping van de clerc bestond uit het belangeloos behoeden van zulke eeuwige en abstracte waarden als de waarheid en de rechtvaardigheid, liefst zo ver mogelijk verwijderd van het wereldse gewemel.

De intellectuelen die hij van verraad betichtte, hadden zich in de publieke arena gewaagd en daar de schat die hun was toevertrouwd ondergeschikt gemaakt aan de politiek. Vooral de nationalisten kregen ervan langs, omdat zij het belang van de natie per definitie boven de waarheid en de rechtvaardigheid stelden. Maar marxisten als Sorel, die het klassenbelang een soortgelijk primaat toekenden, konden eveneens rekenen op zijn polemische toorn.

Als filosoof was Benda een metafysicus van rationalistische signatuur. Zijn helden heetten Descartes en Spinoza, denkers die hun rationele zekerheden op godgelijke hoogte aan alle aardse contingentie hadden weten te onttrekken. Dat de intellectuelen van zijn tijd een dergelijke onthechting niet meer opbrachten, schreef hij toe aan de golf van irrationalisme die door toedoen van Nietzsche en Bergson over de moderne filosofie was gespoeld. Een vorm van wijsgerig 'verraad' waardoor de waarheid ten prooi was gevallen aan scepsis en relativisme, volgens Benda de verderfelijke uitingen van een 'intellectueel nihilisme'. Bij gebrek aan filosofische weerstand kregen de politieke hartstochten vrij spel, hetgeen met name in het nationalistische kamp met zijn chauvinisme en xenofobie had geleid tot een 'intellectuele organisatie van de haat'.

Het verschijnsel manifesteerde zich in Frankrijk voor het eerst aan het eind van de negentiende eeuw, tijdens de Dreyfus-affaire, toen rechtse nationalisten als Maurras en Barrès de onschuldige joodse kapitein Dreyfus wilden opofferen aan het belang van leger en natie. Ook de jonge Benda (zelf van joodse afkomst) had zich destijds in de strijd gemengd, aan de zijde van de dreyfusards.

Tegen het verwijt inconsequent te zijn geweest verdedigde hij zich achteraf met het argument dat de intellectuelen die voor Dreyfus waren opgekomen géén verraad hadden gepleegd. Hen had slechts een onbaatzuchtige liefde voor de waarheid en de rechtvaardigheid gedreven. In zijn eigen geval was zelfs van joodse solidariteit geen sprake geweest. Het persoonlijke leed van Dreyfus liet hem 'volmaakt onverschillig', schreef hij al in 1899, het ging hem alleen om de zuiverheid van de eeuwige 'Idee'.

De vraag is natuurlijk of het eeuwige en het tijdelijke zich telkens zo eenvoudig laten onderscheiden als Benda kennelijk geloofde. Bij hemzelf maakt het verschil niet steeds een even belangeloze indruk. Zo ontpopte hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog tot een fanatiek patriot, die er feilloos in slaagde alle intellectuele ontsporingen tot een Duitse oorsprong te herleiden. In de jaren dertig en veertig maakte Benda het nog bonter door zich, oog in oog met het fascistische gevaar, te ontwikkelen tot een kritiekloze fellow traveller van de communistische partij.

Wie hem herinnerde aan zijn bezwaren tegen het marxisme en hem zijn blindheid voor de misdaden van Stalin verweet (Benda praatte zelfs de Moskouse showprocessen goed), kreeg als antwoord dat de communisten tenminste oprecht streefden naar sociale gelijkheid en rechtvaardigheid, terwijl de westerse bourgeoisie met deze idealen een loopje nam. 'Het is de essentie van de clerc om de wereld niet te aanvaarden zoals zij is; hij is wezenlijk een utopist', schreef Benda in La fin de l'éternel (1928), het vervolg op La trahison des clercs. En daarvan profiteerde de 'utopie van de rechtvaardigheid' die voor hem de kern van het communisme uitmaakte.

Partijlid werd Benda nooit. Daarvoor bleef de marxistische doctrine te veel elementen bevatten (de klassenstrijd en het historisch-materialisme) die hem niet zinden. Maar met zijn lankmoedigheid jegens de Sovjet-Unie en zijn verzet tegen de fascistische en nationaal-socialistische agressie oogstte Benda wel de nodige sympathie bij links Parijs. Met zijn beroemde pamflet trok hij de belangstelling van een toentertijd in de Franse hoofdstad woonachtige Nederlandse schrijver.

In november 1935 vroeg Eddy Du Perron per brief aan Menno Ter Braak of deze er niet voor voelde La trahison des clercs in het Nederlands te vertalen. In Holland, waar iedereen dat jaar naar de boekwinkel was gesneld voor Huizinga's In de schaduwen van morgen, zou het gegarandeerd een succes worden. 'Er is niets in Huizinga dat ik niet reeds bij Benda gelezen heb, en beter', vond Du Perron. Jammer genoeg had Ter Braak geen tijd, zodat de vertaling en het voorspelde succes er nooit zijn gekomen.

Iets van Benda's gedachtengoed kwam desondanks in de Nederlandse literatuur terecht, en wel in Du Perrons autobiografische roman Het land van herkomst. Of er van een serieuze invloed gesproken kan worden, is onzeker. Enige verwantschap met Benda's veroordeling van het intellectuele verraad lijkt echter moeilijk te ontkennen, wanneer we Du Perrons alter ego Arthur Ducroo in het debat met zijn revolutionaire vriend Héverlé (André Malraux) onvoorwaardelijk de kant zien kiezen van de 'intellectuelen', dat wil zeggen van 'degenen die niet naar de politiek zijn overgelopen'.

Het - overigens essentiële - verschil is alleen dat Du Perrons keuze niet voortkwam uit een rotsvast geloof in eeuwige ideeën, maar uit een onuitroeibaar individualisme dat Benda (wat dit betreft had Massis niet helemaal ongelijk) bereid bleek zonodig voor zijn metafysische waarheid opzij te schuiven.