Homofobie in de zeventiende eeuw; Sodoms 'vervloekte boosheidt'

L. J. Boon: 'Dien godlosen hoop van menschen'. Vervolging van homoseksuelen in de Republiek in de jaren dertig van de achttiende eeuw. Bataafsche Leeuw, 415 blz. ƒ 59,-

Het verhaal is inmiddels klassiek: de portier van de Utrechtse Dom zit in 1730 vast en meldt tijdens een verhoor in het voorbijgaan dat er mannen zijn die rond de kerk seksuele handelingen met elkaar verrichtten. Dat zulke dingen gebeurden was niet onbekend, met name op plaatsen waar veel mannen en weinig vrouwen waren, zoals in het leger, op kostscholen, in gevangenissen, op schepen en in overzeese nederzettingen. Maar homoseksuele handelingen werden beschouwd als tegennatuurlijk en een gruwel voor God, die Sodom en Gomorra erom had laten vergaan. Ze vormden een aantasting van de bestaande orde, en waren daarom strafbaar. Bij daadwerkelijke geslachtsgemeenschap kon zelfs de doodstraf volgen.

Sodomie, de verzamelnaam voor alle 'tegennatuurlijke' handelingen, werd in Nederland in het algemeen niet actief vervolgd, maar in 1730 werd dat anders. De autoriteiten besloten op grond van de verhalen van de portier van de Dom tot nader onderzoek. Verdachten werden gearresteerd en verhoord, en mede dankzij de toepassing van folteringen (een rechtmatig middel in het geval van halsmisdrijven) wisten de autoriteiten hen bekentenissen en namen van andere 'daders' te ontlokken, die verspreid bleken te zijn over het hele land. Zo stuitte men op een ondergronds netwerk van sodomieten. De vervolging van verdachten nam grote vormen aan en kreeg hier en daar het karakter van een heksenjacht, waarbij enkele honderden mannen werden veroordeeld. Een groot aantal wist te ontkomen, maar enkele tientallen werden ter dood gebracht door worging, onthoofding, ophanging of verdrinking.

Het netwerk ven sodomieten bestond gedeeltelijk uit jonge mannen die via bemiddelaars in contact werden gebracht met heren uit betere kringen, voor wie ze tegen betaling seksuele diensten verrichtten. De rechters stuitten daardoor al spoedig op aanzienlijke verdachten, van patricische of adellijke huize, collega's soms. Zij werden doorgaans in staat gesteld om tijdig te vluchten of in het geheel niet gedagvaard.

Na enkele jaren werd de intensieve vervolging gestaakt. Van tijd tot tijd werden er in de achttiende eeuw nog processen gevoerd, net als in de jaren voor 1730, tot sodomie in 1811 uit het wetboek van strafrecht verdween.

De vervolgingen in de jaren 1730-1732 vormen het onderwerp van het posthuum uitgegeven proefschrift van Leo Boon, Dien godlosen hoop van menschen. De ontstaansgeschiedenis van het boek weerspiegelt enigszins de tragiek van de hoofdpersonen. Leo Boon was in de jaren zeventig een van de eersten in Nederland die zich bezighielden met de geschiedenis van de sodomietenvervolgingen. Hij schreef er een scriptie over en een aantal artikelen, en had het meeste werk voor zijn proefschrift al gedaan toen hij in 1986 plotseling stierf. Zijn promotor, de Leidse hoogleraar Schöffer, nam het op zich om aan het voltooide gedeelte van het proefschrift een inleidend en een concluderend hoofdstuk toe te voegen, zodat het posthuum kon worden uitgegeven. Helaas heeft dat elf jaar geduurd, en zijn er inmiddels andere boeken verschenen die het thema behandelen in het licht van recente bevindingen, zoals Sodoms zaad in Nederland van Theo van der Meer (1995). De publicatie van het proefschrift van Boon komt nu enigszins als mosterd na de maaltijd.

Dat doet aan de kwaliteit van het onderzoek niets af. Het boek bevat degelijke geschiedschrijving: Boons uitgebreide verslag van het onderzoek in de bronnen, in perspectief geplaatst door Schöffer. Het is een verademing dat het in de geschiedschrijving over dergelijke onderwerpen gebruikelijke jargon ontbreekt, maar rijk aan ideeën is de studie niet.

De centrale vraag is uiteraard waarom er juist in de jaren 1730-1732 sprake was van vervolging op grote schaal. Een gebruikelijke verklaring is tegenwoordig dat zich rond 1700 in de steden een homoseksuele subcultuur begon te ontwikkelen en dat de vervolging een reactie was van de overheid op een nadrukkelijke afwijzing van fundamentele waarden. Schöffer ziet niet veel in een dergelijke verklaring, en meent dat de vervolging grotendeels toevallig tot stand is gekomen. Aanvankelijk was men verschrikt en verbaasd en erop gebrand om de 'vuijligheit' uit te roeien, maar al spoedig zag men de complicaties en bond men in. Toch blijft de vraag waarom een toevallige ontdekking juist in de jaren dertig van de achttiende eeuw leidde tot vervolgingen op grote schaal, en het lijkt relevant om te wijzen op de quasi-apocalyptische stemming die in deze periode in de Republiek der Verenigde Nederlanden heerste.

Er werd veel ophef gemaakt over de sodomieprocessen. De dagvaardingen en vonnissen werden gepubliceerd onder titels als Het Schouw-tooneel soo der geëxecuteerde als ingedaagde over de verfoelijke misdaad der sodomie. Er verschenen prenten en pamfletten en ook een aantal meestal door predikanten geschreven waarschuwende boeken (zoals Sodoms zonde en straffe of streng wraakregt over vervloekte boosheidt), die uitgroeiden tot bestsellers.

In een periode waarin men zich ervan bewust was dat de Republiek in vele opzichten terrein verloor ten opzichte van omringende landen, en waarin men die achteruitgang verklaarde in morele termen, werd sodomie rechtstreeks in verband gebracht met rampen als overstromingen veepest en de paalwormenplaag die er in de jaren dertig voor zorgde dat de zeedijken werden aangetast. Die rampen werden beschouwd als variaties op de sprinkhanen- en kikkerplagen die het bijbelse Egypte hadden geteisterd, straffen die God had uitgekozen voor de inwoners van de Republiek, die zich door de welvaart hadden laten verleiden tot bandeloosheid, met sodomie als uitwas.

Schöffer noemt die zorg om de achteruitgang van het land wel, maar is nogal terughoudend bij het leggen van een verband met de sodomieprocessen. Toch werd dat verband destijds expliciet gelegd, en niet alleen door opgewonden dominees. De schrijver Justus van Effen, bekend om zijn verspreiding van verlichte denkbeelden, zag het ook: de tegenspoed die het land had getroffen was volgens hem een kastijding van God voor de 'betragting van helsche vuiligheden' die 'een keten van Godloosheid door alle onze gewesten uitgestrekt heeft'. Hij zag de 'gruwelzonde' als een exces van het algemene zedenverval, ontstaan doordat het het land in de voorafgaande periode te veel voor de wind was gegaan. 'De eenvoud en degelijkheid der ouderen is bij het jongere geslacht verloren gegaan', aldus Van Effen, die vooral de toenemende invloed van de Franse cultuur kwalijk vond. 'De fraije manieren van een andere landaard worden hier ingelijfd', klaagde hij. De oplossing lag volgens hem in 'inkeer, berouw, gebed, verbeetering des levens en Christelijke liefde'. En natuurlijk in de bestraffing van de sodomieten.