Holland Festival Oude Muziek in het teken van improvisatie; Val van de muur is op handen

Improvisatie is een van de thema's van het Holland Festival Oude Muziek dat vanavond begint. Vroeger was improviseren de dagelijkse praktijk voor de klassiek geschoolde musicus, maar in de negen- tiende eeuw raakte het in diskrediet. Referenties aan het 'Doo-bee-doo' van Frank Sinatra zijn nu gewoon.

Holland Festival Oude Muziek, Utrecht. 29/8 t/m 7/9. Inl: 030-2362236.

Tussen componeren en improviseren hangt een ijzeren gordijn van statusverschil, onbegrip en desinteresse. Die kloof is er sinds de algemeen aanvaarde boedelscheiding tussen 'lichte' en 'klassieke' muziek niet minder op geworden. De improviserend musicus van tegenwoordig zal zijn klassiek geschoolde collega in negen van de tien gevallen maar een oncreatieve notenwurm vinden. De klassieke musicus vertikt het om zich zonder diploma in het diepe van de improvisatiekunde te storten.

Pogingen de muur tussen beide domeinen te slechten worden amper ondernomen, en dat terwijl improvisatie en compositie toch eeuwenlang hand in hand gingen. Sterker: de één moet uit de ander zijn voortgekomen. Over de oorsprong van muziek valt te redetwisten. Er werd al gemusiceerd lang voordat de muzieknotatie omstreeks het jaar 1000 werd uitgevonden. Nieuwe muziek ontstond reeds in oude tijden à l'improviste. Had men een melodie gevonden die appelleerde aan smaak en gelegenheid, dan kon men daarover naar hartelust improviseren.

Hóe dat precies gebeurde, daarover tast men eeuwen na dato in het duister. De spaarzame theoretici uit de middeleeuwen zijn weinig mededeelzaam en weinig concreet over de improvisatiepraktijk. Toch wijzen verschillende bronnen erop dat ook het gregoriaans al doende melodisch werd verlucht. Evenzo weten we dat in de middeleeuwse basse danse door de blazers vrijelijk over een onderstem werd gefantaseerd. Maar naar de regels - ook improvisatie kan niet zonder een gedegen kennis van de conventie - is het gissen. Werd door alle ensembleleden geïmproviseerd of alleen door een 'solist', op welke momenten liet men bij voorkeur zijn fantasie de vrije loop, in welke genres, over welke stemmen?

Improviseren in het verleden is een goeddeels onontgonnen werkveld, al wint de aandacht hiervoor terrein. Tijdens het Holland Festival Oude Muziek, dat van vrijdag 29 augustus tot en met zondag 7 september op verschillende locaties in Utrecht plaatsvindt, vormt de improvisatie een hoofdthema. In concerten, lezingen en workshops wordt door tal van experts gepoogd licht op deze materie te werpen. Blokfluitist Pedro Memelsdorff zal zijn visie ontvouwen op de 'contratenor', de geïmproviseerde middenstem in driestemmige composities uit het veertiende-eeuwse Italië. Pianist Robert Levin zal ervoor pleiten om de aloude improvisatiekunst nieuw leven in te blazen en zo tot een totaal nieuwe voordracht te komen. Om zijn stijlkennis en fantasie te etaleren roept hij voorafgaande aan zijn concerten het publiek op hem themaatjes te geven waarop hij à la manière de Beethoven of Mozart kan improviseren. Harpist Andrew Lawrence-King doet al jaren inspiratie op bij de hedendaagse jazzmuziek. Referenties aan het 'Doo-bee-doo' van Frank Sinatra of aan de swing van 'The Pink Panther' zijn in Kings masterclasses geen ongewoon verschijnsel.

Het mag opvallend heten, dat er juist in de oude-muziekbeweging, waar de 'authentieke' weergave van de intenties van de componist lange jaren als onaantastbaar credo gold, nu in toenemende mate belangstelling bestaat voor de improvisatiekunst, voor datgene waarover we zo mogelijk nog minder weten dan over de bedoelingen van de componist. Maar het lag voor de hand dat ook de improvisatie eens rijp zou worden geacht voor nadere bestudering. Verwijzingen in de literatuur naar de improvisatorische aspecten van de oude en klassieke muziek zijn er immers te over. In de cadenzen van aria's en concertdelen kregen de solisten vroeger alle ruimte hun kunnen improvisatorisch te tonen, een praktijk die door Robert Levin en zijn collega Jos van Immerseel langzaam maar zeker in oude luister wordt hersteld.

Van veel grote musici uit het verleden staat vast dat zij eminente improvisatoren waren. De composities van Johann Sebastian Bach waren volgens zijn zoon Wilhelm Friedemann 'vol van expressieve devotie, plechtstatigheid en waardigheid. Zijn vrij geïmproviseerde orgelspel echter, waarin nog niets verloren was gegaan door de notatie, maar waarin alles onmiddellijk vanuit de fantasie tot leven werd gewekt, schijnt nóg godsvruchtiger te zijn geweest, nóg plechtstatiger, waardiger en subliemer.' Anton Bruckner, ook een erkende grootheid op dit gebied, liet zijn oren graag hangen naar de luisteraar. Bevonden zich Engelsen onder zijn gehoor, dan improviseerde hij op de orgelbank in de stijl van Händel; voor hoge legerfunctionarissen bouwde hij hele toongewrochten rondom een militair appèlsignaal.

Organisten hebben de improvisatiekunde tot op de dag van vandaag hoog in het vaandel, waarmee zij een geïsoleerde positie innemen in de klassieke beroepsgroep. In de loop der tijd is de improvisatie in de serieuze muziek steeds meer in diskrediet geraakt. Door tal van uitwassen, waarbij het ego en de behaagzucht van de solist om voorrang streden met die van de componist, kwam er steeds meer kritiek op de ongebreidelde improvisatiezucht van de musicien maudit. Leopold Mozart liep al te hoop tegen de vrijpostigheden in zijn tijd. 'Velen verbeelden zich iets van grote gratie de wereld in te sturen wanneer zij de noten van een Adagio cantabile verregaand met tierlantijntjes opsmukken, en één noot in minstens een dozijn uiteenrijten.'

Franz Liszt heeft in dit opzicht niet minder dan een bekering van Saulus tot Paulus doorgemaakt. Hij gaf ruiterlijk toe, dat ook hij in zijn jonge jaren de muziek van Beethoven, Hummel en anderen had verkracht door hun bedoelingen te bedelven onder een stortvloed van vingervlugge snuisterijen. Op latere leeftijd zei hij deze misbruiken echter hartgrondig te verafschuwen en voortaan slechts absoluut respect aan de grote meesters te willen prediken. De discussie over de autonomie en de onaantastbaarheid van het kunstwerk, alsmede het romantisch beeld van de geniale componist vierden intussen hoogtij. Steeds meer werd de musicus geacht strikt te dansen naar de pijpen van de Herr Komponist, of diens plaatsvervanger op aarde, Herr Kapellmeister.

Terwijl de improvisatiekunst met stille trom vertrok, werd de partituur des musicus Wet. Aan het eind van de negentiende eeuw hadden de componisten het eindelijk zover geschopt dat zij slechts met de dirigent hoefden te debatteren over de interpretatie van hun werk. Het chapiter improvisatie leek daarmee afgesloten. Totdat in onze eeuw een aantal componisten op de lumineuze gedachte kwam weer momenten van improvisatie in te voeren. Maar toen dat in veel gevallen leidde tot voorspelbaar gekras, saai en stuurloos samenspel, bezuurde men het verleren van de kunst van het edele improviseren. Een groot verlies, wordt nu ook in de historische muziekpraktijk luidkeels beaamd. Deze hernieuwde belangstelling voor het fenomeen zou wel eens een indicatie kunnen zijn dat de lang verbeide val van de muur tussen componeren en improviseren dan toch op handen is.