Het dier is een bastion van stilte; Bezwerende roman van Anna Bolecka

Anna Bolecka: Een witte steen. Uit het Pools vertaald door Karol Lesman. Uitg. De Geus, 189 blz. ƒ 37,50.

Het boek Een witte steen wordt aangekondigd als 'een magisch boek vol mythische beelden'. De Poolse schrijfster Anna Bolecka, geboren in 1951 in Warschau, heeft geen boodschap aan wat hier in Nederland graag genoemd wordt 'de kopieerlust van het dagelijkse leven'. Die aanprijzing krijgt nog meer nadruk dank zij het het motto van Carl Gustav Jung, dat Bolecka haar boek laat vergezellen. 'Ik ben een Wees,' citeert de schrijfster met instemming de psycholoog, 'ik ben alleen; en toch vind je mij overal. Ik ben Enig, maar aan mezelf tegengesteld. Ik ben zowel Jongeling als Oude Man. Ik heb mijn vader noch mijn moeder gekend, zij het dat je me moet delven uit de diepten, zoals je doet met een vis. Dan val ik weer uit de hemel als een witte steen. Ik zwerf over bergen en door bossen, maar ik ben verborgen in de binnenste mens.'

Oei! Dat is levensgevaarlijk entree van een boek, want alles is gehuld in raadsels en vaagheden. Wat moet ik aan met een romanpersonage dat geen van zijn ouders heeft gekend en dat desalniettemin of juist daarom - de zinsconstructie is onduidelijk - uit de diepten gedolven moet worden? Is de Wees waarover Jung het heeft de mens door alle tijden heen, een Ahasverus, een Elckerlyc? Dan neemt Anna Bolecka zelf het woord, aanvankelijk even zwevend-impressionistisch als Jung maar gaandeweg krijgt haar boek een grote, zelfs bezwerende kracht.

Hoe heeft ze dat gedaan? Hoewel haar collega-schrijfster Hanna Krall, van het prachtige Dansen op andermans bruiloft, het boek ten zeerste aanprijst, verschillen de auteurs van elkaar zoals een landweg in de ochtend zich verhoudt tot een lijnrechte klinkerweg. Krall is een getuigend en scherp schrijfster, Bolecka is een droomster. Althans, bij eerste lezing. Haar boek vertelt ogenschijnlijk iets heel eenvoudigs: een kleindochter probeert zich het leven van haar overgrootvader in te beelden, een leven dat ze niet heeft gekend want ze heeft haar overgrootvader nooit gekend. Veertien jaar na zijn dood is zij geboren. Toch, op een dag, het kleine kind was toen vijf jaar, bevond ze zich in een verlaten huis, waarvan de vloeren kraakten en waar in de bijkeuken rieten manden stonden gevuld met kruisbessen. Iemand riep het kind. Op de rand van een bed zat een oude man, die tegen haar zei: 'Ik ben je overgrootvader.' Dat was alles. En door deze mythische ervaring is Bolecka's roman geïnspireerd.

Die twee motieven, een aardse vruchtenmand en een stem vanuit het dodenrijk, keren in de roman bij herhaling terug. De Overgrootvader met hoofdletter verandert geleidelijk aan van een abstractie in een concreet personage; komend uit een schimmige wereld krijgt hij steeds strakker contouren. Wat Bolecka doet, is het rituele joodse leven op het Poolse platteland beschrijven, waarvan Overgrootvader het symbool is. Hij moet zich als vondeling een plaats verwerven in vreemde gezinnen, hij vecht voor zijn bestaan. Het ritme van het boek wordt bepaald door een snelle afwisseling van actie en bespiegeling. Die scènes vol handeling zijn van een grote wreedheid: ze hebben te maken met het kosjere slachten van dieren. Een lam die een pin door de schedel krijgt geboord, de keel van een schaap die wordt opengesneden. Het is zeldzaam dat in de literatuur geschreven wordt over de noodzaak van het doden van dieren terwille van het leven van de mens. Bolecka gebruikt gedetailleerde, klinische beelden (ineens is al haar impressionisme verdwenen) en van heel dichtbij beschrijft ze de wanhoop van Overgrootvader over dit slachten. Ze heeft het over het grote zwijgen van dieren die, terwijl ze het hooi eten dat de boer hen geeft, door diezelfde boer een seconde later gedood worden: 'Er heerst zoveel stilte alom, dacht Overgrootvader, dieren leven en sterven in stilzwijgen. Het zijn bastions van stilte, in hun stilzwijgen gaat de ware spraak van de wereld schuil (-) Misschien is niet het belangrijkste wat we ons herinneren, maar wat we zijn vergeten, niet wat we hebben opgemerkt, maar dat waaraan we voorbij zijn gegaan, en niet wat we hebben gezegd, maar wat we hebben verzwegen. Het lijden van dieren deed hem pijn. De mensen ontzegden de dieren alle mogelijke rechten. In de mensenwereld was geen plaats voor dierenleed, voor angst en liefde.'

Van het poëtische idioom doet Anna Bolecka de overstap naar oeroude, huiver oproepende scènes. Zo is er een ziek kind dat in een pas geslacht varken wordt gelegd, waaruit de ingewanden zijn gehaald. Dan zal het kind genezen, en inderdaad: temidden van het nog warme, bloederige varkenslijf kruipen de wormen uit alle openingen van het kinderlichaam. Bolecka beschrijft het filmisch, ze voert haar pen als het oog van de camera.

Pas tegen het slot van de roman dient de oorlog zich aan, sterk op de achtergrond gedrongen. Eigenlijk niet meer dan een gerucht. Ook hierin verschilt Bolecka van Hanna Krall, die de jodenvervolging in het hart van haar boek plaatst. Bolecka geeft aan de oorlog één detail, dat van schoenen die de oorlog overleefden maar de drager ervan niet. Overgrootvader heeft een niet-hiërarchische kijk op de wereld: voor hem zijn schoenen, dieren, huizen, stenen en mensen alle even belangrijk. Want alles behoort tot de schepping van God.

Een witte steen is een boek dat zich langzaam prijsgeeft. Het verbeeldt een mensenleven, gezien door de ogen van het vijfjarige kind dat in het begin de schim van haar overgrootvader op de rand van het bed ziet. Dan gaat zij fantaseren, ordenen, gedenken, verhalen vragen aan wie haar overgrootvader gekend hebben. Zo leefde hij in een wereld waarin niets gewoon is, alles is symbool en gelijkenis. Een regenboog bijvoorbeeld is de drager van de regen zelf. Het regent niet uit de lucht, maar uit de regenboog. Gelukkig is het boek niet nostalgisch of zwaar van weemoed. Daarvoor is Bolecka een te intelligent schrijfster. Er staan zinnen in het boek die en passant getuigen van een wijsheid, die in Nederlandse romans zeldzaam is. Zoals het volgende bijna-aforisme over de jeugd: 'Niet ernaar terugkeren, want dat was onmogelijk, maar eerder de uiterste consequenties uit die tijd trekken, wanneer de meest tastbare werkelijkheid zich onlosmakelijk verbindt met het symbool.'

In handen van een schrijfster als Anna Bolecka wordt elke gebeurtenis, hoe minimaal ook, tot symbool. Van een tijd die terugreikt tot ver voorbij de Tweede Wereldoorlog.