Geschiedenis van de geneeskunde; En maar hakken en maar zagen

Sherwin Nuland: Artsen. Een biografie van de geneeskunde. Anthos, vert. Piet Verhagen en J. Verheydt, 565 blz. ƒ 79,50

Ze was eens, mijn oude grootmoeder. Ik zie haar nog op een stoel zitten, boterhammen snijdend van een brood tussen de knieën. Ze voelde zich niet lekker het laatste jaar en zei dat ze ruis had. Maar van dokters hield ze niet en van ziekenhuizen werd je ziek. 'Wat vanzelf komt, gaat vanzelf weer weg.' Ze bewees haar gelijk door met stoel en al om te vallen, het brood nog tussen de knieën. De ruis was weg, zij vanzelf ook.

Dat was in 1956, elf jaar voor de eerste harttransplantatie door de snelvingerige Zuid-Afrikaan Christian Barnard, die een vreemd hart in zijn patiënt Louis Washkansky placeerde zonder voldoende van afstotingsverschijnselen af te weten. Wat werd hij beroemd, en wat was de bloedjonge vrouw die hij ineens wist te veroveren mooi. Christian Barnard van het Groote Schuur-ziekenhuis: wie kent hem nog? Jongenskuifje haarscherp gescheiden, zelfingenomen blikkergebit (lap tandvlees in zicht) en daar die jonge vrouw naast: de chirurg als gladiator.

'Beste vent, die Washkansky', zei Barnard. 'Hij kon niet anders, ik durfde. Hebt u die quote genoteerd?' 'Zo'n kerel', zei Washkansky. 'Wat een vakman. Ik ben hem veel verschuldigd.' Achttien dagen op de kop af, met de nodige bijstand van de in 1953 uitgevonden hart-longmachine. Het lijf van Washansky wilde die tikker van Barnard er niet in hebben, daar kon niemand toen nog iets aan doen.

Twee voorbeelden uit de medische geschiedenis, waarbij mijn grootmoeder de Middeleeuwen representeert en Barnard de hoogtijdagen van het ziektegerichte, medico-technische vernuft.

Welk boek over de geschiedenis van de geneeskunst men ook raadpleegt, alleen de inhoudsopgave verraadt al hoe duister de Middeleeuwen zijn geweest. Aanzienlijke chirurgische kennis uit eerder eeuwen ging kopje onder in een stroom kerkvaderlijke retorica omtrent de juiste omschrijving van wat mijn nuchtere grootmoeder 'vanzelf' noemde, en de diepgelovige middeleeuwer 'God'. De hand van de Hoogste, of de hand van een van zijn vertegenwoordigers hoefde maar te worden opgelegd en de genezing was een feit. Of niet, maar dan mocht het niet van Hem en was het hoe dan ook slecht afgelopen.

Alles wat de Grieken en Romeinen hadden bedacht werd taboe verklaard, anatomische studie op lijken werd verboden. Medische naastenliefde bestond weliswaar, maar veel meer dan de (Benedictijnse) zorg voor legersteden en incidentele behandeling met onschadelijke oogst uit de kruidentuin betekende dit niet. Wat wel werd geboden was een keur aan heiligen die men kon aanroepen. De H. Lucia voor ooglijders, de HH. Cosmas en Damianus voor de Eerste Hulp, de H. Blasius bij KNO-aandoeningen, H. Dionysius bij druipers, de H. Erasmus bij darmklachten, de H. Catharina bij droogte in de zoogtijd.

Afgezien van rondstropende keisnijders, zuigerleggers en aderlaters, heeft de middeleeuwse mens de mens ziek gelaten als hij dat eenmaal was. God is in medisch opzicht aanleiding geweest voor meer kwaad dan de sterfelijke mens kan overzien, dankzij Hem is de mens alleen sterfelijker geworden. 'Maar ze hadden toen toch de Bijbel? Lees Kurt Allgeier maar.' Kurt Allgeier is de auteur van het in 1987 verschenen standaardwerk Mit der Bibel heilen. Medizinisches Uraltwissen neu entdeckt. Een rekkelijke lezer, Allgeier. Hij beperkt zich niet tot de bekende canon, maar ontleende veel aan apocriefe boeken als Jezus Sirach of Makkabeeën. Wel gecanoniseerd is het boek Job. De gelijknamige hoofdpersoon is ziek (nijlschurft, jeuk, met als therapie: krabben met een potscherf) maar daar mag hij zich niet bij neerleggen en dat doet hij ook niet. Hij verzet zich tegen de bron van zijn kwaal, God: daar wordt men beter van. Ik schreef al dat Allgeier een rekkelijk lezer is.

'Uw geloof heeft u behouden', aldus Mattheus 9:22. Maar de Bijbel biedt meer, zegt Allgeier. Numeri 13:17 noemt immers de granaatappel als middel tegen koorts, de graansoort 'spelt' is een versterker van lijdenden, koriander een stimulans bij de vrouwelijke cyclus. Jeremia 51:8 noemt balsem als antiseptisch middel, hysop helpt longlijders volgens Johannes 19:29. Allgeier is geen allopaat, hij is vertegenwoordiger van de traditionele geneeskunde, die we tegenwoordig 'alternatief' noemen. Hij leest de Schrift als kruidenboek.

Laten we niet te schamper doen over de min of meer medische naastenliefde van middeleeuwse kloosterorden. Verzorging maakt dat de mens zich beter voelt, dat is vast een begin. Maar verder: blinkend de macht en kracht van de middeleeuwse redeneerkunst, inktzwart het uitzicht van de zieke mens. Dit beeld vinden we terug in de luttele regels die Sherwin B. Nuland aan de Middeleeuwen wijdt in Artsen. Een biografie van de geneeskunde. De erfenis van klassieken als Galenus en Hippocrates verduisterd, intuïtie en wetenschap omtrent het aardse ingewisseld voor zekerheden over God en hemel. Stilstand, achteruitgang. Dat Nuland zich niet wat dieper over het gat van rond de duizend middeleeuwse jaren boog valt wel te begrijpen: hij jubelt graag, in dat gat vond hij geen jubelstof. Zijn Artsen is een lofzang op dokters, vorsers en ontdekkers in het brede gebied dat homo sapiens heet. Daarbij stel ik me voor dat de Middeleeuwen vooral interessant zijn voor medisch-historici van de alternatieve richting. Nulands biografie dekt slechts de allopatische geneeskunde.

Artsen is in veel opzichten een heerlijk leesboek, maar wel een typisch Amerikaans product. We komen veel te weten over persoonlijke dokterslevens, over hun lichaamsbouw, over de vraag of het joviale kerels zijn met veel vrienden, de ins en outs van hun huwelijkse bestaan, of ze aan sport deden, en of ze goed waren, of ze dahlia's kweekten, en of die mooi waren. Voordeel is dat we ménsen zien, nadeel is dat Nulands Artsen minder een biografie over de geneeskunde is en meer één over individuele geneeskundigen.

Wie de serie hoogtepunten van de meer dan twintig eeuwen medische geschiedenis volgt die Sherwin Nuland bestrijkt, trekt een aantal onthutsende conclusies. De belangrijkste is misschien wel hoe hardnekkig de mens vasthoudt aan zijn dwaalwegen. Vaak is dat een kwestie van angst om zekerheden los te laten, om een reputatie te verliezen. Een mooi voorbeeld is het antiseptische denken van Lord Lister (1827-1912), betwist en vernederd door chirurgen die hun status ontleenden aan de dikte van de ingedroogde laag bloed en pus op hun operatieschort. Hoe dikker die korst, hoe meer vent, hoe meer gladiator. Elke keer als we een van Nulands artsen een ontdekking zien doen, is er opnieuw die hardnekkigheid. Veel erger dan die brede medische dwaalweg die je 'hemelse retorica' kunt noemen, lijkt het smalle paadje dat 'ijdelheid' heet.

Dan is er nog de in de mens ingebakken, hardnekkige neiging nieuwe ontdekkingen te wringen in het keurslijf van oude overtuigingen. De eerste auto zag er uit als een koets, om een vergelijking te maken. Alleen op grond van dergelijke hardnekkigeid valt te verklaren dat de na de Middeleeuwen nieuw ontdekte, klassieke theorieën omtrent het evenwicht van lichaamsvochten (de humorale zienswijze) het nog zo ongelofelijk lang hebben volgehouden. De geschiedenis van de geneeskunde heeft zich zo stuitend traag ontwikkeld, dat we de iets minder trage ontwikkeling sinds de achttiende eeuw ronduit een revolutie mogen noemen. Nulands omwegen ten spijt, hebben we in hem te maken met een heel sympathieke dokter. Hij houdt om te beginnen niet van Christian Barnard, wiens werkwijze past in een traditie die zich slechts op de ziekte richt, en niet op de patiënt. Nuland houdt duidelijk niet van roemgeile, voorbarige techneuten. Hij laat mooi zien dat al sinds mensenheugenis een tweedeling bestaat tussen patiënt- en ziektegerichte geneeskunde. De Hippocratische geschriften vormen voor hem nog steeds een richtlijn: zachte handen, breng geen schade toe, verlies de context van het zieke orgaan nooit uit het oog.

Maar Nuland is genuanceerd. Hij betuigt evenveel dank aan de artsen die alleen door de microscoop keken en nieuwe dingen zagen. Een goede dokter verenigt beide kwaliteiten in zich: menselijkheid, vaardige handen, deterministische wetenschap. Niet alle mannen - en vrouwen - van betekenis die hij portretteert hebben al die eigenschappen, maar Nuland jubelt pas echt als dit wel het geval is. Een goed voorbeeld is zijn liefdevolle portret van Helen Taussig (1898-1986), de vrouw die baan brak op het gebied van de kinderhartchirurgie: 'Ze was hun arts, ze was de bron van hun hoop, en ze was er niet bang voor hun vriendin te zijn.' De toon van dit citaat neigt naar die van het evangelie van Johannes, EO-boek bij uitstek, maar we moeten ons niet vergissen. Sherwin Nuland is geen halfzachte scribent. Hij staat in een traditie van harde heelmeesters en harde wonden, duivelskunstenaars met mes en beenzaag, kracht en kraak en die behoeft waarachtig verzachting. Als we hem woorden zien aanhalen van een leermeester ('De vrouw die het hardst bevrijding behoeft, is de vrouw in iedere man') dan kunnen we hem slechts bijvallen. Opvallend is ook zijn commentaar op de uiterst late (pas na 1900) intrede van de vrouw in de artsenij: Sherwin Nuland beschouwt het als een zegen, een noodzakelijk antidotum tegen hanige techneuten à la Christian Barnard. Helen Taussig en de haren hielpen de patient zijn mensheid teruggeven, na lange tijd als werkgebied te hebben gefungeerd.

Een levendig leesboek, Sherwin Nulands Artsen. Prachtige, contextuele portretten, soms van schitterende figuren. Maar helemaal evenwichtig is deze geneeskundige biografie niet. Wie Nulands aanvankelijke uiteenzettingen over Hippocrates, Galenus of de artistieke zestiende-eeuwse anatoom Vesalius leest heeft de indruk inderdaad met een erudiete geschiedenis van de allopathische geneeskunst in haar geheel te maken te hebben. Gaande het boek versplintert dat in individuele portretten. Voor de geneeskunde zijn artsen en patiënten nodig. Als het aan mijn grootmoeder had gelegen waren er geen dokters geweest. Zij vertegenwoordigde met haar 'vanzelf' een algemeen vooroordeel, dat iedereen na lezing van Sherwin Nuland wel kan begrijpen: dokters zijn levensgevaarlijk. De gruwelen die we hier en daar in Artsen beschreven zien, hebben er ingehakt. Toch had mijn grootmoeder in 1956 niet zo hardnekkig moeten zijn. Het tempo van de ontwikkelingen op medisch gebied was weliswaar nog niet adembenemend naar huidige maatstaven, maar vergeleken met de eeuwen ervoor was het ronduit duizelingwekkend. Waarschijnlijk zou ze langer hebben geleefd. En wat betreft goudhaantjes als Christian Barnard: Sherwin Nuland biedt op zijn minst de hoop dat hun voorbarige messen ons bespaard blijven. Misschien gaan patiënten en dokters nog eens samenwerken, zoals Hippocrates het wilde.

    • Atte Jongstra