Geen hogere vergoeding pomphouders aan de grens

DEN HAAG, 29 AUG. Het kabinet hoeft geen extra geld uit te trekken om benzinestations aan de landsgrenzen te steunen. Dat heeft de president van de rechtbank in Den Haag vandaag bepaald in kort geding.

De pomphouders hadden een extra vergoeding gevraagd omdat zij hun klanten naar Duitse en Belgische pompen zien rijden na de jongste verhoging van de benzine-accijns met elf cent. Zij lijden daardoor fors omzetverlies. Een aantal pomphouders moet personeel ontslaan. Ze krijgen nu slechts een kleine tijdelijke vergoeding.

Rechtbankpresident A. van Delden vreest dat een ruimere regeling voor tankstations aan de grensstreek geen goedkeuring uit Brussel krijgt. “Van de minister kan niet worden gevergd een regeling te ontwerpen en tot stand te brengen in de wetenschap dat deze op Europeesrechtelijke bezwaren zal stuiten”, zo motiveerde hij zijn vonnis.

In de huidige regeling ter verzachting van de prijsverschillen krijgen pomphouders in een strook van 10 kilometer van de Duitse grens 8 cent per verkochte liter steun van de Staat. In een strook tussen 10 en 20 kilometer is dat bedrag 4 cent. Volgens de advocaat van de pomphouders moet dat ten minste 20 en 10 cent zijn om nog klanten te trekken.

De brancheorganisatie Bovag vestigt nu zijn hoop op de Tweede Kamer om de pomphouders te steunen.

Een kleine steun in de rug voor de pomphouders is de opmerking van de rechter dat het prijsverschil tussen Nederlandse en Duitse benzine in deze zitting “uitsluitend betrekking heeft op de accijns”. De landsadvocaat betoogde vorige week dat het verschil deels wordt veroorzaakt door doelmatiger werken door de Duitsers. (ANP)