Gedogen...

“GRENZEN AAN het gedogen stellen is noodzakelijk.” Dit was de centrale stelling van minister Sorgdrager (Justitie) in een nota over dat gevoelige onderwerp. Over dit uitgangspunt was de Tweede Kamer het volmondig met haar eens. Gedogen is slechts aanvaardbaar in uitzonderingsgevallen en om aperte onbillijkheden te voorkomen.

Het mag nooit een laat-maar-waaienbeleid worden, zoals een Kamerlid het eens uitdrukte in verband met de coffeeshops. Deze hebben het gedoogdebat tot dusver wel heel erg gedomineerd.

Het gedoogbeleid heeft echter betrekking op een verscheidenheid aan thema's, variërend van speelautomaten tot het milieu. Mits goed opgevat kan het zo zijn dat gedogen in bepaalde gevallen (niet alleen) is toegelaten doch zelfs wordt voorgeschreven door algemene rechtsbeginselen, betoogde Sorgdrager. De praktijk blijft weerbarstig, waarschuwden deskundigen op een hoorzitting. Zo noemden zij het moeilijk uit te leggen dat het openbaar ministerie soms toch tot strafvervolging overgaat ondanks een gedoogverklaring van de bestuurlijke instanties. In het geval van milieuvergunningen bijvoorbeeld kunnen daar voor de betrokken bedrijven grote bedragen mee zijn gemoeid. Zij vragen zich af hoe de overheid met de ene hand kan nemen wat zij met de andere geeft.

Het antwoord op dit bezwaar is dat gedogen niet gelijk staat met legalisering. Het is een elementaire misvatting dat gedogen eenvoudigweg tot de conclusie leidt dat handhaving daarna is uitgesloten. Een gedoogpraktijk kan zeker geen excuus zijn voor de wetgever om er lastige inhoudelijke keuzes op af te schuiven. Als het gedogen omvangrijk of structureel dreigt te worden, is dat veeleer een reden de norm zelf in heroverweging te nemen, betoogt Sorgdrager.

HET BORDEELVERBOD vormt een actueel voorbeeld. Omdat het Wetboek van strafrecht sekshuizen verbiedt, kunnen de gemeenten geen voorwaarden stellen aan de exploitatie. Tenminste, niet openlijk. Iedereen weet wat wordt bedoeld met de categorie “overige bedrijven” in een plaatselijk bestemmingsplan. Het strafrechtelijk bordeelverbod werd in 1911 ingevoerd door het ijveren van de katholieke minister van Justitie Regout. Het verbod stond toen al haaks op een eeuwenlange traditie van pragmatische tolerantie in Nederland. Toch liep de opruiming van deze laat-victoriaanse oprisping de afgelopen tien jaar tweemaal stuk op verzet uit de CDA-hoek, waar men reglementering van de prostitutie bleef afwijzen als een “verdrag met het kwaad”. Sorgdrager vindt met reden dat het nut van een grondige regulering van uitwassen op gemeentelijke grondslag valt te verkiezen boven de dubbele moraal van allerlei onduidelijke gedoogsituaties binnen een absoluut strafrechtelijk verbod dat niet wordt gehandhaafd.

Onlangs heeft het kabinet dan ook bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend om het bordeelverbod alsnog af te schaffen. Het CDA zal daar weinig tegen kunnen hebben. Het vroeg tijdens het gedoogdebat per motie de regering te toetsen in hoeverre bestaande wetgeving leidt tot gedogen en deze zo aan te passen dat gedogen wordt voorkomen.