Een telefoongesprek

Niemand, behalve de twee betrokkenen, weet hoe het telefoongesprek op 18 juli tussen de ministers Van Mierlo en Sorgdrager is verlopen. De laatste zegt zich zelfs de duur ervan niet meer te herinneren: een kwartier? Een uur? (Gelet op de breedsprakigheid van de eerste zal het eerder een uur hebben geduurd.)

We moeten dus aannemen dat het gegaan is zoals de ministers zeggen dat het gegaan is: Van Mierlo heeft, op grond van informatie die hij uit Brazilië had gekregen, Sorgdrager het advies gegeven af te zien van haar voornemen dit land te verzoeken Bouterse, die daar was gesignaleerd, te arresteren. Minister Sorgdrager heeft zich, zoals zijzelf zei, door dit advies laten overtuigen - niet overrulen, zoals de VVD en de oppositie beweerden. Het was dus haar besluit.

Daarom is het zo merkwaardig dat deze week in de Tweede Kamer het geschut voornamelijk op de adviseur Van Mierlo gericht was, niet op de minister die verantwoordelijk voor het besluit was. Het is ook dáárom zo merkwaardig omdat zij, een eendagsvlieg in de politiek, een gemakkelijker prooi voor kritiek zou zijn geweest dan de routinier Van Mierlo.

Is het omdat de opponenten een kans zagen vooral hem te treffen, de man die, in hun ogen, aan alle touwtjes trekt waaraan D66'ers, ook wanneer ze minister zijn, zitten? Het moet gezegd worden dat hij in de Kamer weinig deed om die indruk te logenstraffen: zo nu en dan probeerde hij tussenbeide te komen wanneer zijn collega/partijgenote aan het woord was - ten slotte tot haar ergernis.

Of is het omdat hij, al vóór het Kamerdebat, ja vóór het beraad in de ministerraad, uitgebreid aan de pers zijn versie van het gebeuren uit de doeken had gedaan? Daarmee had hij niet alleen het recht van het kabinet en van de Kamer veronachtzaamd om als eerste ingelicht te worden, maar ook als 't ware het vuur tot zich getrokken. Hoe dan ook - als er reden voor kritiek was, dan was het de andere minister die de volle laag ervan had moeten krijgen.

Er is iets anders wat we op gezag van de ministers moeten aannemen: het blijft hun vaste voornemen Bouterse, als het maar even kan, in de kraag te vatten. Dat hebben zij de Kamer herhaaldelijk verzekerd. Het is aan degenen die vooral Van Mierlo ervan verdenken Bouterse niet te willen laten arresteren vanwege de betrekkingen met Suriname, waar Bouterse een machtig en populair man is - het is aan hen om met bewijzen te komen.

Intussen is het niet helemaal onbegrijpelijk dat die verdenking bestaat. Van Mierlo's emotionele banden met Suriname zijn sterk. In het artikel van Willebrord Nieuwenhuis in deze krant van 22 augustus wordt zelfs gesproken van zijn 'verbondenheid' met dit land en wordt hij aldus aangehaald: “Wie de roep van dit land kent weet hoe onherroepelijk dat bij je blijft.” En Vrij Nederland van deze week citeert deze ontboezeming van hem: “Alles aan het land is me zo dierbaar. De mensen, de rivier, het oerwoud, de plantages.”

Deze gevoelens sieren de mens Van Mierlo, maar een minister van Buitenlandse Zaken mag zich nooit zo vereenzelvigen met een ander land - of het nu Suriname of een ander land is. Het volk en zijn cultuur begrijpen? Ja. Er begrip voor hebben? Slechts tot op zekere hoogte - vooral wanneer het om een volk gaat dat in meerderheid Bouterse, verantwoordelijk voor de moorden van december 1982 en verdacht van internationale drugshandel, op handen draagt.

Sentimenten die het contact tussen mens en mens kunnen bevorderen, kunnen misleiden wanneer het gaat om het contact tussen staten - die 'koude beesten', zoals De Gaulle zei. Van Mierlo schijnt dat wel eens te vergeten. Van zijn Indonesische collega Alatas - ongetwijfeld een alleraardigste man, maar het instrument van een koud regime - zei hij eens dat hij een bijzondere vertrouwensrelatie met hem had, zoals hij die ook had gehad met Den Uyl. Een curieuze opmerking, als we weten dat Den Uyl het Van Mierlo dierbare plan voor een Progressieve Volkspartij als een baksteen liet vallen, zodra hij zag dat de PvdA het alleen afkon.

Derde punt. In het Kamerdebat heeft Van Mierlo niet meer het argument gebezigd dat hij in juni 24 uur per dag bezig was geweest met het Europese voorzitterschap, zodat hij geen tijd had gehad zich in de kwestie-Bouterse te verdiepen. Het was dan ook buitengewoon onverstandig geweest dat argument te gebruiken. Niet dat het niet waar was, maar hij gaf ermee toe dat het aan coördinatie met Justitie had ontbroken. Bovendien gaf hij voedsel aan de stelling van diegenen die beweren dat kleine landen - ze mogen nog zo toegewijd en deskundig zijn - het Europese voorzitterschap eigenlijk niet aankunnen.

    • J.L. Heldring