Een particulier in het openbaar

Abram de Swaan: Blijven kijken. Meulenhoff, 170 blz. ƒ 34,90

Veertig maal Mijn zinnen van Bram de Swaan, dat is een heel verhaal. De stukjes werden in deze krant geschreven tussen eind 1993 en begin van dit jaar. Weggelaten werden de kolommen over grote politieke zaken als Bosnië en Rwanda. De hier vergaarde stukjes hebben allemaal te maken met 'particuliere gevoelens en gedachten in openbare situaties'. Het verhaal gaat over het 'straatgevoel'. Klein geweld neemt een behoorlijke plaats in. Er vallen woorden en wel eens klappen. Verdragelijke angstigheid in Amsterdam en Lissabon, want er wordt veel gereisd in het boek. Het griezelig-normale van de reddingsoefeningen, het ogenspel tussen de passagiers van de verschillende klassen in het vliegtuig, het beleefde gevecht om de stoelleuning, het zijn situaties die iedere wereldburger doormaakt, liefst zonder er al te veel op te letten.

En passant tussen Boedapest en New York - echte reisverhalen zijn het zelden - houdt De Swaan een half oog gericht op medepassagiers, bedelaars, tasjesdieven ('daar stond nu de niet-tas'), vrijende paartjes en andere figuranten van de grote stad. De entourage, Amerika of post-communistisch Hongarije, blijft buiten schot. Het gaat om waarnemingen tussen de bedrijven door, waarnemingen die alle mensen in steden waar ook ter wereld kunnen nadoen. Het werk waar hij heenloopt, het congres dat hij bezoekt, de lezing die De Swaan houdt, het zijn de coulissen van een parade van alledag. Een van de mooiste stukjes uit de bundel bevat een beschouwing van een treurige carnavalsstoet waarin gewoon maar wat mensen, kleumend met een bierblikje in de hand, 'voor een wintermiddag met z'n allen en in het openbaar de aandacht opeisen'.

De beschouwingen zelf, dus het licht uit de coulissen, zijn allerminst alledaags. Ergens spreekt De Swaan met enige zelfspot over zijn twee 'idolen', Sigmund Freud en Norbert Elias. Een paar keer vindt de columnist de aandachtige kijk op zaken die hem eigen is niet voldoende, en doet hij een beroep op die coryfeeën. Zij nemen ook een voorname plaats in in het innerlijk comité dat toezicht houdt op de stukjes die De Swaan schrijft, vertrouwt hij zijn lezers toe. Freud komt nogal eens op de proppen als De Swaan de macht wil laten zien die stoute en angstige fantasieën in mensen over mensen uitoefenen, en de socioloog Elias mag telkens weer uitleggen dat mensen altijd en overal met elkaar verstrengeld zijn. Tussen vele observerende kolommen naar het leven treft men dan ook vrolijke sketches voor twee heren, en dolle berekeningen van de 'rouwwaarde' die de columnist op het ogenblik van overlijden zou bezitten. Soms voert die hersengymnastiek niet verder dan het kleine jongetje dat denkt dat hij denkt, maar soms komt in de pastiche een verdonkermaand verband naar boven.

Het dagelijks gezag in Mijn Zinnen is echter in handen van de belangstellende blik van de voorbijganger, die hem sommeert een eindje om te lopen, ergens bij stil te staan, en een enkele keer in te grijpen. Nieuwsgierigheid wint het van gêne, medeleven van weerzin. Ook als hij het nodig vindt eens op te treden, blijft de onderzoeker aan het woord, en de uitkomst van dat zelfonderzoek is vaak verrassend. Een bijzonder verhaal vormt het verslag van een mystieke ontroering bij de columnist tijdens een concert. Onwillekeurig wordt de lezer herinnerd aan de adembenemende 'pneumatische oefeningen' van Vestdijk in De rimpels van Esther Ornstein (1958).

Niemand is het speciale doelwit van deze monstering van het steedse leven. Er zijn een paar uithalen naar een bepaald soort politici, academici en consultants, en, ook traditiegetrouw kun je zeggen, neemt De Swaan de zielepoten in het moderne bestaan, ook lelijke zielepoten zoals in de carnavalsoptocht, een beetje in bescherming tegen hooghartige bevoogding. Met aanziens des persoons kunnen de mensen zichzelf ergens zien staan of wegduiken. De lezer volgt De Swaan vaak met bewondering voor de geboden inkijkjes, bijna altijd geamuseerd, en ook wel eens met tegenzin op zijn rondes. Dan wil hij er even uit, weg van al die bijdehandjes. Ook zo'n stadsgevoel.