Een hond vergeeft slechts met zijn staart; Gesprek met de Zuidafrikaanse schrijver Andrew Scholtz

De Zuidafrikaanse schrijver Andrew Scholtz is van origine schrijnwerker en aannemer. Op zijn 72ste debuteerde hij met 'Vatmaar', de eerste roman van betekenis in het Afrikaans van een niet-blanke schrijver, nu vertaald in het Nederlands. Henk van Woerden zocht Scholtz op in zijn huis aan de grens bij Botswana. “Ik krijg het gevoel onrechtmatig een particulier paradijs te zijn binnendrongen.”

Voor het bezoek aan A.H.M. (Andrew) Scholtz trek ik een linnen pak aan, want het is zondag in de Transvaal. De auteur woont in Mafikeng, een gehucht aan de grens met Botswana, vierhonderd kilometer ten oosten van Johannesburg - een bijna onoverbrugbare afstand, als je geen rijbewijs bezit. Trein of bus is er niet. Vliegen blijkt duurder dan een taxi huren.

Voor dauw en dag word ik afgehaald. De man achter het stuur is Afrikaanssprekend. Hij heeft de route de laatste maanden niet meer gereden, zegt hij. Daarom moeten we nog even terug naar zijn woning in Krugersdorp - skuus tog - hij is zijn pistool vergeten. Een half uur later wordt het vuurwapen in het kaartenvak van het portier geborgen, binnen handbereik, dan zijn we pas echt onderweg. Iedere twee kilometer een gulden, reken ik uit, ze vlieden voorbij. We passeren de Magaliesbergen en razen als de dag al warm geworden is over een licht glooiende, tamelijk verlaten hoogvlakte. Nu en dan doemt uit het grote niks een hoeve of een cluster silo's op. 'Maïs, pinda's', mompelt de gids in antwoord op mijn vragen. Ergens tegen een viaduct geklad, het graffiti: 'Volksstaat!' Buiten een van de weinige dorpen kondigt het billboard daarentegen optimistisch aan: 'Eén nasie, één wet / die nuwe grondwet is hier!'

Naarmate we de onzichtbare grens van het vroegere thuisland Bophuthatswana naderen wordt het land steeds minder genaakbaar. Hier in de buurt werden vlak voor de verkiezingen drie leden van de Afrikaner Weerstandsbeweging doodgeschoten, het roemloze Waterloo van folkloristisch rechts. Ach ja, wat overblijft zijn die plagerijtjes: een boer heeft naast zijn hoeve een reusachtige vlaggenstok geplaatst en die met een kraaiennest van prikkeldraad beschermd tegen (zwarte) vandalen: bovenin wappert trots de driekleur van de oude Transvaal, een boerenrepubliek die al honderd jaar ter ziele is. Wanneer we het stadje Lichtenburg bereiken stroomt net de kerk leeg. Bij de Pick 'n Pay schaffen we koeldrank in blik aan en onder het afrekenen vind ik in de linkerzak van mijn colbert een gele plastic banaan. Uit het decor van het vorige Amsterdamse boekenbal gepikt en daarna vergeten. “Nog zestig kilometer”, zegt de chauffeur, Hij grijnst. Híj zijn pistool, ik mijn banaan, het ijs is gebroken. Wie is de schrijver waar naartoe we onderweg zijn?, wil hij weten. “Meneer Scholtz het 'n wonnerlike boek geskryf”, probeer ik. “Die eerste betekenisvolle roman in Afrikaans deur iemand anders as'n wit skrywer.” De typering is niet van mij, maar van Jakes Gerwel, chef-staf van het kantoor van de president, en oppervlakkig gezien is er iets mis mee. Doen verwijzingen naar ras en taalkeuze niet zowel het boek als de auteur tekort? Scholtz, geboren te Kimberley in 1923, debuteerde twee jaar geleden met Vatmaar ('n Lewendagge verhaal van 'n tyd wat nie meer is nie). Het boek trok, door de inderdaad 'levendige' verteltrant, onmiddellijk de aandacht: een roman die het leven en de ambities van een Noord-Kaapse gemeenschap schetst - van binnenuit en in een verrassend frisse en ongekunstelde taal. Eindelijk een verhaal in het gekleurde argot, dachten velen.

Cultuurtaal

Een tijd geleden stond ik in deze krant stil bij de weinig rooskleurige toekomst van Die Taal (het standaard-Afrikaans, red.). Het Engels zou onmiskenbaar de voertaal van Zuid-Afrika worden. Natuurlijk lag in toenadering en versoening tussen 'wit' en 'minder wit' Afrikaans, het enige verschiet - de hoop op overleven van een minderheidstaal. Maar wat moest men zich daarvan voorstellen? Ten eerste: de erkenning van het door gekleurden gesproken Afrikaans als een gelijkwaardig en levensvatbaar instrument, wellicht vitaler dan het door de bobo's van Stellenbosch, Pretoria en Potchefstroom jarenlang gepropageerde, vaak naar Hollandse voorbeelden opgeschoonde en gesteriliseerde cultuurtaaltje, vond ik destijds. Ik vind het nog steeds. Bij Nederlanders die hun contacten met Afrikaanses grotendeels tot het welvarende volksdeel beperken wil het maar niet dagen dat het gekleurde patois iets ánders is dan schattige Boerepraat, in de verte nog Hollands gebleven. Een mooi voorbeeld daarvan was de reactie van H.W.J. Bosman (CS 9-12-94). 'Als men geen Duits heeft geleerd kan men niet met een Duitser discussiëren, maar met een Afrikaner kan dat wel', meent hij. Welke Afrikaners? Met wie professor dr. Bosman discussieert laat zich raden. Vast en zeker niet met de nazaten van de Griqua's en Basters in de Noord-Kaap, met de tuinman of de dienstbode van zijn collega's in de Oranje-Vrijstaat, laat staan met de burgerij van de Kaapse vlakte, dat wil zeggen: met de overgrote meerderheid van Afrikaanstaligen, die zich ongemakkelijk voelen in Standaard-Afrikaans en de voorkeur geven aan Lekker Praat (of aan het Engels). Lekker praat wordt niet onderwezen. Ze is nauwelijks geboekstaafd of gecanoniseerd. Ze hoefde nooit te worden beschermd door een stelsel van arrogante wetten. Ze is de tongval van veld en straat en een Hollander verstaat haar niet, of slechts met veel moeite.

Inmiddels is de Zuid-Afrikaanse variant van het Angelsaksisch gemeengoed geworden. De televisie praat een soort Engels, de staat, de universiteit (ook die van Stellenbosch), de president, het ziekenhuis, het theater en de shop floor. En waar je moedeloos van wordt: gekleurden schamen zich in toenemende mate voor het weinig sjieke volkstaaltje dat ze thuis nog bezigen - een door het officiële Afrikaans opgedrongen stigma - en leren het de kinderen af. Helaas, die taalvlucht uit het Afrikaans is niet van vandaag of gisteren. Wat dat betreft heeft het eerste boek van A.H.M. Scholtz een merkwaardige ontstaansgeschiedenis. Het oorspronkelijke manuscript van Vatmaar werd aangeboden in het Engels, hoewel de schrijver overduidelijk Afrikaanstalig is. Op verzoek van de uitgever is het vervolgens door een academicus uit Stellenbosch terugvertaald in keurig standaard-Afrikaans, en door de auteur zelf voor publicatie grondig herzien, om zo te zeggen opnieuw in het jasje van zijn spreektaal gestoken.

Onschuld

Vatmaar is een van die zeldzame boeken die onschuld uitstralen. Doordat het - ja, voor het eerst - iets zichtbaar maakte van het bestaan en de vergeten geschiedenis van die bruinmens, zoals gekleurden in Zuid-Afrika tegenwoordig worden aangeduid, werd het een ongekend succes, bekroond met een keur aan literaire prijzen (de 'M-net' prijs. de CNA-debuutprijs, de Eugéne Maraisprijs). Waar was die omdoling in talen, de omweg van Afrikaans naar Engels en terug, dan een teken van? Heeft Scholtz' werk soms om de verkeerde redenen meteen een plek in de canon van de Zuid-Afrikaanse literatuur verworven? Omwille van taalstrijd, of erger nog, omwille van 'gekleurde identiteit'? Hoe ziet Andrew Scholtz de toekomst van Die Taal, van lekker praat, van Afrikaners en Afrikaanses?

Als ik zijn hand druk lijken die vragen spoorslags opdringerig en astrant (brutaal). Wij staan samen op het pad van zijn tuin, in een wijk die Riviera Park heet. Scholtz is zenuwachtig, een rijzige man met een witte snor en een nauw merkbare tremor. Ook híj is, ondanks de hitte, formeel gekleed: donkere broek, licht overhemd met stropdas en een gehaakt witkatoenen vest. Was ik maar niet per taxi gekomen, sprak ik maar minder bescheten Afrikaans. Wij staan er op z'n zondags te schutteren; er koeren duiven, de wind plaagt een erf vol bloemen en bomen en ik krijg het gevoel onrechtmatig een particulier paradijs te zijn binnedrongen - zijn Home is zo overduidelijk zijn Castle. Cactussen, vijgen en rozenstruiken, victoriaanse lantarens, een vijver bewaakt door putti, een beek waarover een bruggetje naar het terras loopt. Is dit Mafikeng? Ja, de wind voelt aan of het uit de Kalahari waait, stoppeldroog. Het huis zelf heeft veel weg van een Moorse villa: stucwerk, sierijzer, flauve bogen, fleur de 1ys, alles is door Scholtz eigenhandig ontworpen en opgetrokken, blijkt later.

De slotheer leidt me naar binnen en stelt me voor aan zijn echtgenote. Mevrouw Scholtz is op de een of andere manier even broos - en met mijn bezoek verlegen - als haar man. Wat meteen duidelijk wordt: Scholtz, astmatisch en op leeftijd, is onder al die aandacht naar Zuid-Afrikaanse maatstaven gemeten onweerstaanbaar bescheiden gebleven, ootmoedig is misschien het juiste woord. Er is gerekend op uitgebreid tafelen. Terwijl Francis een maal van Kaapse curry aandraagt en Andrew in gebed voorgaat heb ik iedere gedachte aan een strak interview al uit het hoofd gezet. De schrijver spreekt en het is dezelfde stem die me bij het lezen van Vatmaar zo beviel, nee, ontroerde zou ik hier moeten zeggen. Teken van een begaafd verteller; je vraagt je geen ogenblik af of die ontroerig wel mag. Daar is de stem van de auteur ook te oprecht en, gek genoeg, te vrouwelijk voor. Vroeger zat hij aan de knie van zijn grootmoeder te luisteren naar herinneringen uit de negentiende eeuw, de oral history waar een deel van Vatmaar op is gebaseerd. Nu is het zíjn beurt: de vertelling van een drieënzeventigjarige, een leven vol wonderlijke kruispaden, onder en boven de evenaar.

Zadelmaker

Andrew is de oudste van tien kinderen. Zijn vader verdiende de kost als zadelmaker in Kimberley, in de jaren twintig niet langer de boomtown van de diamant-industrie maar een stoffig provinciestadje. Als de oude Scholtz zijn heup breekt en bedlegerig wordt verlaat de jongeling voortijdig de lagere school om de zorg voor de familie op zich te nemen. Hij gaat als schrijnwerker in de leer bij een oom. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog is Andrew pas zeventien. Hij doet zich meerderjarig voor en sluit zich aan bij de landmacht. Na gevechten onder Brits commando in Kenya, de hoorn van Afrika en Egypte wordt hij in Italië gevangen genomen. Twintig maanden brengt hij in krijgsgevangenschap door, dan volgt ontsnapping en een lange voettocht van Triëst naar de geallieerden in Bari, “ek het so reg afgeloop langs die laars”. Het mediterrane maakt grote indruk op de negentienjarige Scholtz. Hij kijkt zijn ogen uit in de kathedralen van Rimini en Milaan, in de Sixtijnse kapel - 'die mooi prente' - en bezoekt de opgravingen van Pompeï. Het volk op straat is nauwelijks rijker of blanker dan hij zelf, en van de welgestelden zegt hij: “Die 'padrone' leken wel een soort stamkapteine, zoals hier onder de zwarten. Ze bezaten alles, en wat niet van hun is, is van de kerk.”

Kort na de demobilisatie komen in zijn thuisland de stamkapteine van de apartheid aan de macht. Andrew trouwt in 1948 met Gazina Francis Ortell, een islamitische uit zijn geboortedorp. Ze zullen twaalf kinderen krijgen en koesteren maar één wens: om samen een groot boerenbedrijf 'n spogplaas, op te zetten - een ambitie die door de wetten van de Nasionale Party keer op keer wordt gefnuikt. “Ek het die minister geskryf en mooi gevra,” maar het mocht niet baten, “my kleur was teën my.” Land en huis - een eigen plek - blijven obsessies die ook in zijn debuutroman aan de orde zullen zijn. Andrew verwerft uiteindelijk zekere naam als schrijnwerker en aannemer en bouwt in de loop der jaren tientallen woningen en bedrijfsruimten voor anderen. Hij beschrijft zichzelf als een standard five boy, een jongen van de lagere school. Toch werden zijn blauwdrukken altijd goedgekeurd door 'de ingenieurs'. Het ruime huis waarin wij nu rond de tafel zitten is het derde gebouw dat hij voor zijn familie ontwierp, het eerste op een stuk grond dat hij zijn eigendom mag noemen. Dát en de zorg voor de opvoeding van twaalf kinderen onder een weinig verheffend systeem van onderwijs, stemt de schrijver achteraf weemoedig.

Kon het maar over. “Daar die jare was die deure alles tóé gewees. Nou wat ek die kans het om my op te tel (om vooruit te komen, red.) is ek te blêddie oud. Al leefden we er niet minder om, ze hebben veertig jaar van ons bestaan verknoeid. Wat ik vooral niet begrijp”, voegt Scholtz eraan toe, “is dat ze je de scholing van je kinderen afpakten...”

Mijn taxichauffeur uit Krugersdorp draait rondjes door de wijken van Mafikeng. Hij vond dat Scholtz, gezien het huis, aardig boerde voor een 'kleurling'. Ik weet nu al dat het op de terugreis onmogelijk zal zijn om hem uit te leggen wat het constructiewerk voor Andrew betekent. Ergens is het namelijk ook de sleutel tot zijn kunstenaarschap - hij stelt zich voor dat de lezer een tijd lang in zijn verhalen woont. En: “Jy bou hyse oor jy dit geniet, nie oor jy dit moet doen nie (je bouwt vanwege het plezier, niet omdat het moet, red.).” In veel opzichten is de vormgeving van een roman voor hem hetzelfde als bouwen aan een woning: ambachtelijk stapelen en inpassen van verhalen volgens een begrijpelijke blauwdruk. Althans, zo is het met 'n Lewendagge verhaal gegaan, verklaart Scholtz eenvoudigweg. Hij verzamelde “'n klomp stories”, aantekeningen, persoonsbeschrijvingen en dagboek-achtige notities op losse vellen. “Pampiertjies, kleingoedjies, my boustene - ek dink ek het die beste weggegooi.” Vervolgens werd een terreinplan opgetrokken, een plattegrond, en kwam het kroniek van Vatmaar tot stand:

“Ek skryf hom óór, dat hij móói word, ek kleur hom ôk in.”

Draadloos

De schrijver vindt het wonderlijk dat men die plattegrond voor écht aanziet, alsof het reeds bestond. “Ek het dit geskép - ik wist dat je moest proberen om een verhaal te laten leven, je moet describe hoe de plek eruit ziet, de gevoelens, meer is er niet. Ja, mijn oma vertelde veel. Een draadloos - de radio - was er toen nog niet. Ik luisterde, je hoorde zoveel waarvan je niks wist, de boerenoorlog, de diamantdelverij, de toverij, de goden van de Griqua's, enzovoort. De ene vertelling na de andere. Of ik van haar geleerd heb om me te verplaatsen in de wereld van vrouwen, weet ik niet. Dat u die verhalen over vrouwen in Vatmaar zo raak vindt, beschouw ik als een groot compliment. Eigenlijk gaat het vanzelf. Mannen praten grof. Als ik het nou een vrouw wil laten zijn komt er hier en daar 'n fijn woord, om haar uit te beelden.”

Scholtz is te bescheiden, hij doet veel meer dan slechts “hier en daar een fijn woord” toevoegen. En niet alleen die vrouwelijke personages getuigen van een bijzonder verplaatsingsvermogen en empathie. Hij portretteert een uitgestrekt en tot nog toe onontgonnen gebied, als een Steinbeck van het gekleurde Zuid-Afrikaanse platteland - maar dan één die in enkele jaren de stap van mondelinge overlevering naar het gedigitaliseerde vertellen mag zetten. Scholtz moet inderhaast een tijdperk overbruggen en het verbaast me hoe klein die stap voor hem feitelijk is. Dat hij haast heeft staat vast; een tweede roman - Langsaan die vuur - ligt in Kaapstad bij de uitgever. Een van zijn dochters heeft beide boeken uit dikke, met de hand volgepende schriften overgetikt. Lily is nu bezig met zijn derde teerling, maar Andrew klaagt dat haar werk te traag vordert. Zijn gezondheid is zwak, de tijd dringt. “Ek is jammer ek het nie 'n rekenaar (een personal computer) nie...” Die haast is tegelijk ook de reden waarom Vatmaar door een ander uit het Engels werd terugvertaald. Scholtz omschrijft zijn spreektaal als 'Karoo-Afrikaans'. Het 'Hoë Akademiese Afrikaans' is hem vreemd, zoals bij velen die ik hier ontmoet, of het nu plattelanders of stedelingen betreft. Hij gebruikte in zijn eerste roman aanvankelijk Engels uit een bepaald ontzag voor het schrijverschap, blijkt nu. De dialogen mochten uiteraard in het Afrikaans, maar wat een mens bedenkt - die 'uitbeelding', zoals hij het noemt - zou in 'die Ingels' toch beter staan? Het kostte de uitgever weinig moeite om hem van het tegendeel te overtuigen. Alles wat nu nog van zijn hand verschijnt zal moerstaal zijn en dat is voor Andrew Scholtz een hele opluchting.

Spreektaal

“Ach, wat scheelt het ook, ik wil maar een verhaal vertellen. Als die uitgevers dat mooier lijkt in mijn spreektaal, gaan ze hun gang maar. Ik denk 'orraait, maak net wat jy blêddie wíl'. De lezer is het belangrijkste. Achter in mijn kop is hij steeds aanwezig, hij moet zich een beeld kunnen vormen - 'n regte prentjie - want het boek is een levend ding. En 'n kind kan de was doen, iedereen kan 'stories' vertellen. A story is mos maar 'n glorified leuen - een verheven leugen.” Scholtz lacht.

Intussen kijkt Francis niet langer met een scheef oog naar mijn kant van de tafel, mijn buitenaardsheid is meegevallen. Ze schenkt zoete thee met melk. Het schrijverschap van haar echtgenoot vindt ze ongrijpbaar, een onhebbelijkheid. Wordt het op zijn leeftijd niet tijd om eens wat rustiger aan te gaan doen? Hij blijft 's nachts te lang wakker, knort ze. Andrew mompelt dat hij toch moet blijven leren, zijn geheugen is tegenwoordig een zeef.

Vatmaar staat vol prachtige uitdrukkingen. Ik denk aan hoeka (destijds), kens (seniel), aya (bediende); aan skierlik (plotseling) en blas ('een huidskleur tussen wit en bruin') - het Karoo-Afrikaans ten voeten uit. Mevrouw Scholtz verklaart schalks een aantal woorden die mij onduidelijk zijn gebleven, zoals katoors en het daarvan afgeleide katoorsgeit: 'dis wan jy mannerig is'. En voor alle duidelijkheid: 'Jy weet, randy sê mos die Ingelse'. Geil. Binnen de kortste keren gaat het gesprek over het verschil tussen borsten en tieten. Andrew vindt pramme mooier en nauwkeuriger dan tits of borste. Op tweeduizend kilometer van de Kaap liggen 'prammen' en 'katoorsgeit' inderdaad lekker in de mond, okerkleurig, aards. Alsof die klanken hier gedolven zijn en de afstand tussen taal en landschap verkorten. Vormgeven blijft pionierswerk.

Goud en zilver

Tegen de avond laat Scholtz me zijn privé-domein zien. 'No entry' staat er op het hek van de toren naast het woonhuis, 'precious metal recovery'. Een wenteltrap geeft toegang tot een studeerkamertje, tevens het laboratorium waar de auteur goud en zilver uit afgedankte tv-toestellen wint. Apparatuur, boeken, spreuken aan de wand (zeven doodzonden, vijf deugden, vijf driften). Op het grote cirkelvormige dakterras: droogrekken, zuurbaden, een bord waarop met de hand een doodshoofd is geklad. En een duiventil. Hagelwitte siervogels - waaierstersduiwe - fladderen af en aan als boodschappers uit een overtreffende trap van licht. Aan de horizon zal Botswana liggen. In de heuvels niet ver hier vandaan wordt opnieuw goud gedolven, vertelt Andrew, al is het op bescheiden schaal. En vroeger - veertig jaar terug, né - wemelde het in de omgeving van wild, 'beeste', blesbok, springbok; hij verlangt opnieuw naar wildlever, grootmensekos.

Andrew hijgt. Hij is moe, bedenk ik: ik heb hem van zijn middagslaap beroofd. Ik hoef niet meer te weten hoe het zit met Afrikaans en Afrikaanses, maar hij wil er nog iets over kwijt. “Kleurling is 'n baie lelike woord. Kijk, men zou nu 'Afrikaans', of 'Brynmens' moeten zeggen. Wie Nederlands spreekt is toch een Nederlander? Wij Afrikaans-praters zijn natuurlijk gewoon Afrikaans. We moeten maar zo snel mogelijk vergeten dat er zoiets bestond als een blanke Afrikaner. 'Ze weten niet wat ze ons aandoen', hebben wij altijd gedacht, een soort medelijden. En aan de andere kant, hun doen en laten zal nog generaties een schaduw werpen. Ach, vergelijk het met een hond, je geeft een hond een geweldige opdonder en een tijdje later staat hij weer naast je en dan waai hy sy stert! Hij vergeeft het je, maar hij vergeeft met de staart. Zoals mensen mensen met de mond vergiffenis belijden, niet met het hoofd.”

Andrew Scholtz leunt tegen het verblindend witte muurtje van zijn dakterras en kijkt naar het stoppelige veld. “Eintlik is die geaardheid van die mens nie meer na(der) aan god as aan die duiwel nie.” Een half uur later jaagt mijn taxi de vallende duisternis tegemoet, in oostelijke richting terug naar de voorsteden van Johannesburg. De chauffeur onderdrukt een geeuw. Het pistool heeft hij opgeborgen, niet meer nodig nu.

Hy sy skietding, ek die pisang in my sak.

Uitgeverij Meulenhoff publiceert dit najaar een Nederlandse vertaling van Scholtz' debuut. Zijn Langsaan die vuur, vyf lewensverhale is inmiddels verschenen bij Kwela Boeke, Kaapstad.