E-èh, wat doe jij hier?; Jeugd en vertedering, de goudmijnen van de schrijver

Soms lijkt het wel of de Nederlandse literatuur niets anders is dan een reusachtige verzameling jeugdherinneringen, schrijft Kester Freriks. De kinderjaren spelen een prominente rol in de letteren. “Geen tranen, maar analyse: dat is de juiste houding voor de schrijver die zich op het autobiografische pad waagt en zijn jeugd tot onderwerp kiest.”

Geen schrijver ontkomt eraan, vroeg of laat gaat hij erover schrijven: de kindertijd, de kinderjaren, de tijd van de jeugd, die wilde, roezige, raadselachtige en geheimzinnige periode die aan de volwassenheid voorafgaat. De jeugd is het eeuwig onontdekte gebied van ons leven; we kunnen het ontginnen, we kunnen ernaar verlangen of het juist met alle geweld proberen uit te bannen, maar in die prille tijd van toen zijn de bakens gezet voor iemands latere leven.

Tuimelen we in dat latere leven in diepe kuilen, zien we al onze verwachtingen in rook opgaan, tien tegen één dat we terugkeren naar vroeger om verklaringen te vinden. De Duitse schrijver Stefan Zweig noteert in zijn autobiografische boek De wereld van gisteren: 'Wat een mens tijdens zijn kinderdagen uit de lucht van de tijd in zijn bloed heeft opgenomen, blijft onuitwisbaar.' Unausscheidbar staat er in het Duits; nooit meer weg te branden, onafscheidelijk, onvervreemdbaar.'

Een andere Duitser, Jean Paul, sprak over de herinnering als 'het enige paradijs waaruit niemand ons kan verdrijven' en met die 'herinnering' bedoelde hij zijn kindertijd. En hoeveel grootse boeken heeft dit paradijs niet opgeleverd? Elias Canetti die De geredde tong begint met de herinnering aan zijn eerste zintuiglijke ervaring: het waarnemen van de kleur rood. Marcel Proust die zijn reeks A la recherche du temps perdu wijdt aan herinnering na herinnering. De Zweed August Strindberg die in zijn geschrift De zoon van een dienstbode minutieus zijn jeugd analyseert, en daardoor tegelijkertijd weer oproept.

Ik ben ervan overtuigd dat elke schrijver een herinneringskunstenaar moet zijn. Schrijven zonder het over het verleden van de hoofdpersonen te hebben, vanaf hun vroegste jaren tot aan vijftien, zestien, met soms een uitschieter naar negentien, lijkt me onmogelijk. Voor zover ik het kan overzien slaagt alleen J.J. Voskuil erin met zowel zijn boek Bij nader inzien als in zijn reeks Het Bureau met geen woord te reppen over een zaak die ik als wezenlijk in de literatuur beschouw: het besef dat schrijven een wapen is tegen de dingen die voorbij gaan. Voskuil ontwijkt hardvochtig die vroegste periode uit het leven van zijn personages.

Jongenstijd

Dit geldt niet voor talloze andere auteurs, sterker: soms lijkt het wel of de Nederlandse literatuur niets anders is dan een reusachtige verzameling jeugdherinneringen. Het eerste boek van Gerard Reve, De Avonden; het eerste boek van Jan Wolkers, Serpentina's petticoat; de eersteling van de toentertijd achttienjarige Hugo Claus, De Metsiers; het debuut van Harry Mulisch, archibald strohalm. De jeugd, de vroege of de late - het gaat daarover. En, uit een heel andere hoek, Maria Dermoût, al in de zestig toen ze debuteerde, maakte haar entree met een boek geweven uit herinneringen aan het oude Indië van meer dan een halve eeuw eerder, Nog pas gisteren (1951). Recenter denk ik aan Wessel te Gussinklo die eerst De verboden tuin schreef en daarna een 551 bladzijden tellend boek De opdracht noemde, dat over niets anders handelt dan de belevenissen van een veertien jaar oude middelbare scholier die een week op zomerkamp op de Veluwe gaat. Of neem een van de grootste briefschrijvers uit de Nederlandse literatuur, Willem Walraven. Uit Indië schreef hij tot aan de Tweede Wereldoorlog honderden epistels aan vrienden en familie. Telkens weer begint hij in het heden om onvermijdelijk af te zwenken naar zijn jongenstijd op een van de Zeeuwse eilanden. Pas vele vellen papier verder komt Walraven morrend, zwoegend en op zijn reusachtige typemachine ratelend, een zwarte kast van een Royal, weer uit bij dat Indië waar hij woont. De brieven moeten over Indië gaan, daarover willen zij die thuis bleven in het grauwe Nederland natuurlijk iets horen. Maar hij schrijft liever over Dirksland op Flakkee.

Alle goede boeken gaan over de jeugd. En al gaan ze er niet letterlijk over, ze gaan er toch over.

Daarom is Het Bureau 1 van J.J. Voskuil ook een jongensboek door de schelmachtige houding die Maarten Koning aanneemt. Hij ontdekt, als buitenstaander, een wereld van verborgen machtsverhoudingen. Bovendien wil hij niet echt deugen. De hof van onrust van Jan Siebelink is, net als De opdracht, een boek over vaders en moeders, hun kinderen die als romanpersonages terugkeren, ontluikende seksualiteit, het kleine universum van een tuin aan de Veluwezoom of van een kampeerterrein op de Veluwe dat symbool staat voor de hele wereld. Op het moment dat Patrizio Canaponi zijn zwierige Italiaanse verschijning verruilde tegen de hoekige Nederlander A.F.Th. van der Heijden begon hij in de roman fleuve die De tandeloze tijd heet prompt over de vroegste kinderjaren van zijn romanheld Albert Egberts. In Nanne Tepper's debuut De eeuwige jachtvelden, evenals De opdracht uit 1995, vind ik de mooiste scènes terug van de laatste jaren: de innige, en vooral ook lichamelijke liefde tussen broer en zusje zo rond de moeilijke leeftijd van veertien jaar opklimmend naar zestien. En wat er in die dagen en nachten niet allemaal gebeurt! Hoe het broeit en gloeit in de geesten en de lichamen van al die vroeg-adolescenten. Je krijgt het er warm van, het maakt onrustig. En dat is juist waar het om gaat: de stuurloosheid van kinderen in de wereld. Ze moeten alles nog ontdekken, ze zoeken richting, er zijn geen antwoorden op hun duizenden vragen, er zijn geheimen waarvan, tartend, een tipje van de sluier wordt opgelicht, wat het allemaal nog tartender maakt. Er is, kortom, het teloorgaan van sereniteit en onschuld en het daarvoor in de plaats komende bewustzijn. En bewustzijn doet pijn.

Eerste woordjes

De auteur die schrijft over zijn kindertijd wil zichzelf terugvinden in dat onherroepelijk voorbije toen. Van toen hij of zij nog een kind was. Zoveel debuten en latere boeken gaan over die fameuze jaren vanwege de fraaie parallel: de schrijver ontdekte als kind de wereld, de schrijver ontdekt in zijn eerste boek de verleidingen van het schrijven. Het gaat allemaal hand in hand. De openingszin van het eerste boek is als het stamelen van de eerste woordjes. De vreugde daarover, de onuitwisbare triomf, die zal iemand nooit verlaten. Was de schrijver in zijn jeugd geen held, op papier kan hij het alsnog worden; al zijn de geuren en de lichtval en al die dingen van vroeger verdwenen, schrijvend kan het allemaal opnieuw worden beleefd.

Is een boze jeugd nog steeds 'a writer's goldmine'? In feite is elke jeugd een goudmijn, mits een auteur gevoelig is voor vergankelijkheid. Om zich tegen die vergankelijkheid te weer te stellen en om de onherroepelijke voortgang van de tijd te bezweren, gaat iemand schrijven. Voor mij is dat de enige en meest zinvolle inzet. Als vergankelijkheid het negatief is, de schaduwzijde, dan is het vermogen tot evocatie de lichtzijde.

In Een passage naar Indië (1978) schrijft Rudy Kousbroek over dit gemis van vroeger - het gemis van zijn Indische jeugd: 'Mijn verlangen naar het sprookjesland van mijn jeugd is niet vrij van ressentiment (-). Vervuld van haat kijk ik soms naar de nietsvermoedende voorbijgangers op straat, mensen die, waneer de lust hen daartoe zou bekruipen, kunnen gaan zien hoe groot de bomen zijn geworden op hun schoolplein. Het besef dat het uitvoerbaar is, dat is al voldoende. Waarom ga ik ook niet eens terug?'

Schrijvers die over hun jeugd schrijven, willen niets anders dan terugkeren naar die tijd. In twee beroemde romans uit de Nederlandse literatuur is het woord 'terug' zelfs prominent opgenomen in de titel: Terug tot Ina Damman van Simon Vestdijk (1934) en Terug naar Oegstgeest van Wolkers (1965). En in de titel Het land van herkomst van E. du Perron (1935) resoneert het woord 'terug' bijna hoorbaar mee.

In de slotpassage van Terug tot Ina Damman geeft Vestdijk op ontroerende en treffende manier aan waarom hij dit boek over de onbeantwoorde liefde van de jonge Anton Wachter voor Ina heeft geschreven: 'Maar daar, achter hem, op het stationsplein: daar had hij geleefd. Hij moest dat toch vasthouden, ondanks alles. Na het hekje geopend te hebben, had hij nog een zestal schreden voor zich door het tuintje, waar de avondwind zo ver mogelijk, zo hoog mogelijk met hem meewoei om zijn voorhoofd te koelen. Maar zijn voeten raakten zwaar de aarde, zwaar en knarsend op het kiezel alsof zíj het alleen hadden te bepalen hoe onwankelbaar trouw hij blijven zou aan iets dat hij verloren had, - aan iets dat hij nooit had bezeten.'

Anton Wachter verzet zich nadrukkelijk tegen de volwassenen om zijn hartstochtelijk gekoesterde liefde reliëf en intensiteit te geven. Hij wil haar van goud te maken terwijl de liefde der volwassenen in zijn ogen grauw is en plichtmatig: 'Nooit (zou) hij kunnen begrijpen dat de volwassen mensenwereld dat tot éen gebied rekende: tot de liefde; hij zou het niet eens begrijpen als hij zelf volwassen was geworden...'

Niet volwassen willen worden is, zo lijkt het, de geheime, verborgen intentie achter al deze boeken waarin naar vroeger wordt omgezien. Maar eenmaal moet iedereen de drempel over. Dan is het spel van de kindertijd voorbij, en om die reden eindigen zoveel boeken in dezelfde stijl als Terug tot Ina Damman. Met het besef dat iets onherroepelijks verloren is.

Ook Nog pas gisteren van Maria Dermoût eindigt met een afscheid, niet alleen van het geboorteland Indië dat haar dertienjarige hoofdpersoon Riek moet verlaten, ook van haar jeugd daarginds. In de slotregel van deze korte roman spreekt de schrijfster over 'verliezen' - 'Zij moest tijd hebben om het alles te verliezen' - waar Vestdijk schrijft 'vasthouden'. Voor Maria Dermoût is de pijn om dit verlies zo groot, dat zij moet leren Indië en haar hele jonge leven tot nu toe te vergeten. Vestdijk wil de verre, onbereikbare liefde van zijn jeugd alsnog in een boek een eerbetoon brengen. Het wonderlijke is dat Maria Dermoût in haar leven nooit in staat is geweest tot dit manhaftige 'verliezen' van haar herinneringen. Ze heeft ruim een halve eeuw gewacht met die op te schrijven en verder is haar leven vervuld geweest, maar ook verbitterd, juist door de smartelijke kracht die herinneringen kunnen hebben.

Zoet en week

Bij het neerschrijven van iemands eerste tien, vijftien levensjaren vallen slechte schrijvers onverbiddelijk door de mand; ze gaan, alsnog, die periode inkleuren en maken die daardoor zoet en week. Ze bekijken zichzelf als het weerloze kind dat ze toen waren. Ze laten zich ertoe verleiden hun jeugdjaren mooi en gelukkig te maken, een tendens van deze tijd. Een jeugd moet weer zonnig zijn. Een uitvloeisel hiervan is dat volwassen mensen steeds meer kinderboeken gaan lezen, niet alleen volwassenen met kinderen maar ook zonder kinderen. Sentiment om vroeger is bon ton. Er wordt uit andere goudmijnen gedolven: die van de vertedering.

Wie een jeugd beschrijft, wil verklaren. Maar verklaren is gevaarlijk voor de literatuur, het is altijd een zwaktebod. Tonen, daar gaat het om. Du Perron heeft voor Het land van herkomst een ingenieuze structuur bedacht. De Indische episoden die beginnen met de geboorte van de ik-figuur in 1899 wisselt hij af met de weergave van zijn leven in het nu dat hij aan het boek schrijft; in Parijs en Brussel in 1933. De stijl van de Indische jaren verschilt ingrijpend van die van de Westeuropese maanden; zuivere, koele, scherpe en gedetailleerde beschrijvingen waar het draait om Indië. En, lijnrecht daartegenover, verklarende en beschouwelijke passages. Die wisseling van stijl is de meesterproef van het boek; Du Perron wil niet zomaar een Indische jeugd beschrijven, hij wil weten welke invloed dat Indische verleden heeft op zijn houding in het leven later. Hij stelt zich wezenlijke vragen; over huwelijkse trouw en overspel, politiek, seksualiteit, de authenticiteit van het schrijven van brieven, een dagboek dan wel een roman (maar Het land van herkomst is gelukkig geen roman, daarom is het boek zo geslaagd). Dus: de methode van de spiegel als Indië zijn evocatie krijgt en de methode van de peilende geest wanneer een Indische jeugd als onuitwisbare voorbereiding op het leven geldt. De jonge Du Perron kreeg zo rond zijn zeventiende al een inlands meisje als concubine. Zoiets laat zijn sporen na voor wie nadien in Europa aankomt, en in volwassen verhoudingen verstrengeld raakt.

Indrukken en ervaringen in de jeugd laten de diepste sporen na, en daarom richt een schrijver zijn blik daarop. Het is een vergissing te veronderstellen dat Het land van herkomst een boek over Indië is, natuurlijk, Batavia en Java komen ter sprake, maar ruim tweederde - en dan ben ik nog zuinig - gaat over Brussel in 1933, het huwelijksleven van Du Perron's ik-figuur met Jane, geldperikelen, kwesties met betrekking tot het landgoed Gistoux, en vooral: gesprekken. De essentie van dit boek legt Du Perron al op bladzijde 25 vast, waar hij zich verdiept in het fenomeen herinnering. Eerst beschrijft hij heel nauwgezet een droom. Een Javaanse vrouw komt haar pas gestorven kind spelende in de tuin tegen en ze zegt: 'E-èh, hoe kom jij hier?...'

Zo is het ook met de schrijver die terugkeert naar zijn jeugd, zichzelf tegenkomt, en zegt: 'Zeg, wat doe je hier? Leef je nog?' Ja, het kind dat schuilt in elke volwassene leeft nog, en het wil altijd blijven leven.

Dan schrijft Du Perron de onvergetelijke zinnen: 'Wat het buitengewoon complete karakter van weemoed geeft aan zulke dromen, is dat de melancholie van de herinnering al in de ontmoeting zelf aanwezig is; dat de ontmoeting tegelijk plaats heeft en toch al onherroepelijk voorbij is, met de smaak van eerste en laatste maal. (-) Een weemoed die aantast en heelt tegelijk. Zonder tranen toch; zonder de behoefte zelfs aan tranen.'

Analyse

Geen tranen, maar analyse: dat is de juiste houding voor de schrijver die zich, als Du Perron of Vestdijk, op het autobiografische pad waagt en zijn jeugd tot onderwerp kiest.

De jeugd is ook de tijd van de eerste ontdekkingen en van de botsing tussen de omgeving en de ik-persoon. De jonge Marokkaanse schrijver Hafid Bouazza kwam als zevenjarig jongetje in Nederland wonen, eerst in Zuid-Holland, later in Amsterdam. Zijn eerste boek De voeten van Abdullah (1996) werd bekroond met de E. du Perron-prijs. Niet verwonderlijk; Bouazza verbindt in dit boek twee elkaar vreemde, soms zelfs vijandige werelden: die van zijn vroege Marokkaanse jaren en die van het Amsterdam in de jaren tachtig. De hoofdpersoon van deze verhalen kijkt, vervuld van herinneringen aan het Marokkaanse platteland, naar het 'rotte gebit van de stad'. Zijn de herinneringen van de ik-figuur aan zijn elders doorgebrachte jeugd vervuld van geheimen en raadsels, in Amsterdam maakt hij de stap naar de volwassenheid. De stad als inwijding in de veile, groezelige kanten van het leven.

Ook Arthur Japin, die met De zwarte met het witte hart een van de indringendste boeken schreef van het afgelopen seizoen, verbindt het exotische, extatische (van Suriname en Nederlands-Indië) met het bittere, bitse en koude (van Nederland). Hiermee zet hij, evenals Bouazza, een rijke en onvervreemdbare traditie van de Nederlandse literatuur voort, waarin Holland het dramatische tegenwicht vormt voor uit de kolonieën afkomstige kinderen die in de Nederlandse straten met de Nederlandse huizen en de Nederlandse kinderen gedwongen worden een heel ander leven te leiden dan zij ginds gewend waren. En bijna altijd leidt hun verblijf hier tot ontgoocheling; daarom schrijft Du Perron over de 'melancholie van de herinnering'; daarom verzucht Kousbroek dat hij terug wil naar het paradijs van zijn jeugd. Om te ervaren dat hij ineens weer daar is en hij zich afvraagt: “E-èh, hoe kom jij hier?...”

Zijn al deze boeken, verhuld of nauwelijks verhuld, sterk autobiografisch van inslag, een uitzondering moet ik maken voor Verborgen gebreken (1996) van Renate Dorrestein. In haar tienjarige hoofdpersoon Christine Jansen, met altijd haar kleine halfbroertje Tommie op sleeptouw, portretteert ze scherpzinnig de denk- en gevoelswereld van een klein meisje. Ze is wars van elke sentimentaliteit en heiligverklaring; Christine is niet mooi of vertederend maar hoekig, bokkig, ze is geen simpele afsplitsing van de schrijfster maar een reëel romanpersonage. Haar karaktereigenschap is een niet te beheersen woede, die ze niet dan door geweld kan uiten. Het gezicht van een meisje dat haar niet aanstaat krabt ze open, een schoolruit gaat aan diggelen, een andere, oudere halfbroer van haar slaat ze in een vlaag van verblinding tegen de straat, waardoor zijn schedel barst. Op de vlucht voor al die vreselijke geheimen wil ze spoorloos verdwijnen. Ze tart wie goed voor haar is.

In de opstandigheid van de meisjesziel lijkt Christine Jansen op de meisjes uit het debuut van Hermine de Graaf, Een kaart, niet het gebied. Dorrestein ziet, door de meisjesogen, de wereld als een schouwtoneel waarin goed en kwaad met elkaar vechten. Daarom begeleiden citaten uit Genesis de hoofdstukken. Christine denkt over zichzelf, telkens gecursiveerd weergegeven in het boek: 'Ik ben een engel met een tweesnijdend zwaard, ik ben de Engel van de Gerechtigheid.' Vlak voordat zij tot haar noodlottige handelingen overgaat, klinkt deze zin als een opdracht door haar hoofd.

Verborgen gebreken heeft niets van doen met gevoelvol omzien, maar wel is het een onvergelijkbaar treffende beschouwing over de kinderziel verborgen in een roman. Zoals elk kind ervaart Christine twee werelden: die van de volwassenen, waarvan haar moeder en haar zoveelste vriend het symbool zijn, en van zichzelf. In haar eigen werkelijkheid is ze een heldin; in die van de volwassenen een slachtoffer.

Die ervaring dat er twee werelden zijn die met elkaar strijden en die, vanaf een goed ogenblik in ieders leven, nooit meer één kunnen worden, dat is het kenmerk van de boeken over de jeugd. Op een dag is alle onschuld van de jeugd, hoe vermeend die ook moge zijn, voorbij. Het is de tragiek van die boeken, het is ook de charme. Pas als Christine wraak kan nemen en zij werkelijk de Engel van de Gerechtigheid is die ze wil zijn, vallen die twee werelden voor enkele tellen samen. Toch volgt al snel de deceptie; volwassenen blijven volwassenen en zij het kind, verstrikt in haar eigen duistere en opstandige gevoelens die onheil en tegenspoed veroorzaken. Maar ze blijft manmoedig. Aan het slot roept ze euforisch uit, levend in de hoop dat haar halfbroer nog leeft: 'Go do it to them before they do it to you.'

De lezer weet dat ze de teleurstelling van haar nog zo jonge leven tegemoetgaat, en dat haar kindertijd dan voorgoed voorbij is. Ook zij moet de drempel over naar de volwassenheid, struikelend, graaiend naar houvast in het luchtledige.

De kindertijd als koningsdrama; wanneer de kindertijd voor een schrijver niets betekent, heeft die geen weet van een wereld die even onuitputtelijk is aan drama als aan fantasie. Zo wordt Christine op een ochtend wakker, en wat zij dan denkt is voorbehouden aan de jeugd: 'Toen ze haar ogen weer opende, was het warm en prettig om haar heen. Een zacht, geel licht bescheen haar. Even dacht ze dat ze dood en in de hemel was, en haar hart bonsde van geluk.'

    • Kester Freriks